Verlegend motorrijden hoofdstuk de robot
Maak een verhaalpagina met een inhoudsopgave, zodat ik alle delen van dit boek in chronologische volgorde kan doorlopen.
Ineens sprong de deur open en vloog Arend met zijn rolstoel naar binnen. Hij stuiterde op zijn wielen. Het leken wel mechanische kikkerpoten die hij had gemonteerd aan beide zijkanten. Dan kon hij springen en opzij springen met de rolstoel in één beweging om snelheid te maken. Arend sprong met zijn rolstoel naar binnen, de woonkamer in, en richtte een wapen op Leon. Van dichtbij schoot Arend Leon recht in het hart. Maar Leon viel niet dood neer. Hij viel in slaap. Arend had hem geschoten met een uitvinding van Leon: een pistool met slaappatronen. Hij had Leon in slaap geschoten. Leon sliep diep. Al na een paar seconden begon hij diep te slapen. Arend bond hem vast en trok hem met een handlanger mee een busje in. Ze reden aan. Ze gingen het land in, de stad uit, naar een geheime plek.
Minou was in slaap geschoten. Ze lag ergens buiten om de hoek in de tuin op de grond te slapen. Ze werd meegenomen in het busje. Het busje reed. Ze gingen ergens in Nederland op een geheime plek achteraf op een industrieterrein naar binnen en de deuren werden gesloten. Leon en Minou werden in een kamertje opgesloten. Arend en zijn handlanger sloten de deur goed af en hadden Leon en Minou goed vastgebonden en gekneveld. Ze lieten ze hun roes uitslapen en gingen zelf ook rusten. De volgende morgen gingen Arend en zijn handlanger naar de kelder waar Leon en Minou in het kamertje werden opgesloten. Arend deed de deur open en Leon en Minou keken Arend recht in de ogen. Arend zei: "Wees niet bang. Ik ben hier om jullie een aantal vragen te stellen. Meer niet. Als dat gebeurd is, kan ik jullie laten gaan." Hij zei: "Leon, ik wil je het volgende vragen: heb jij die uitvindingen inmiddels al gepubliceerd op een website of nog niet?" Leon werd de knevel afgedaan en kon weer praten. Hij zei: "Waarom zou ik je een antwoord geven, Arend? Ik ga je niet meehelpen." Arend zei: "Ik zou maar een antwoord geven, Leon. Anders zal ik Minou een beetje bewerken." Leon keek geschrokken naar Minou en Minou keek geschrokken naar Leon. Leon zei: "Nee, Arend, je gaat haar niet bewerken. Ik zal je alles zeggen." Leon zei: "Ik heb de uitvindingen nog niet op internet gezet. Ze zijn nog niet gepubliceerd." "Weet iemand anders van jouw uitvindingen af?" vroeg Arend. Leon dacht na en zei: "Nee, niemand anders weet van mijn uitvindingen af. Alleen Minou en ik weten van de uitvindingen af Arend vroeg toen: "Heb jij al patenten aangevraagd op je uitvindingen?" Leon zei: "Ja, die heb ik aangevraagd. Die liggen in Zwitserland in een kluisje op de bank "Weet je zeker welke bank dat is?" zei Arend. Leon zei: "Dat is in Zürich, de Nationale Bank. Kluisnummer 433." Arend zei: "Heb je daar een sleutel van?" "Ja," zei Leon, "die ligt in mijn slaapkamer, in mijn nachtkastje. Sleutel met een groene hanger en het nummer 433 erop." "Zitten alle patenten in die kluis?" "Ja," zei Leon, "alle patenten zitten in die kluis." "Staan ze op jouw naam, Leon?" "Ja," zei Leon, "ze staan op mijn naam." Arend zei ineens: "Ik weet genoeg, Leon. Ik ga weg. Ik ga verdwijnen. Ik hoop niet dat je ooit vervelend kan worden om die reden zal ik je heel laten en laten leven Ik denk niet dat jij een probleem zal worden met je luie hersenen jouw hersenen smakken meer na slaap kussens dekens en een dekbedje mijn hersens snacken naar van alles dat ze doet verblijden versnellen verruimen mijn brein is in de maak in de groei
"Jouw brein is zelfdestructief. Jij met je luie, domme hersenen bent voor mij geen enkel gevaar, Leon. Als je toch mijn moeilijkheden gaat bezorgen, zorg ik ervoor dat ik met een heftige stroom jouw geheugen ga wissen. Met slapeloosheid zal ik jou wakker houden en jouw geheugen kapotmaken of ik maak jou kapot. Kies maar, Leon. Als je één keer mijn moeilijkheden bezorgt, zal ik je aanpakken. Dan is het voor jou te laat. Dus ben gewaarschuwd." Arend ging met zijn vreemde rolstoel, met vier wielen en aan de zijkanten twee mechanische kikkerpoten die sprongen kunnen maken naar voren, opzij, naar links en naar rechts. "Slim bedacht", dacht Leon. "Dat is ook een uitvinding van mij. Hij heeft alles gestolen, die smeerlap. Alles heeft hij uit mijn brein gewist met zijn paranormale begaafdheid. Had ik dat maar geweten", dacht Leon. "Ik ben de lul", zei hij tegen Minoe. "Minoe, ik ben de lul. Ik ben het haasje. Ik kom nooit meer vanaf van deze ellende. Ik ben stervende en ik moet hoognodig een tosti roosteren." "Alweer, Leon? Je ligt godverdomme nog in de touwen. Je hebt geen luier aan, alleen een pyjamabroek. Wil je nu al gaan roosteren?" "Ik moet hoognodig roosteren." "Doe dan maar. Zorg ervoor dat die tosti niet mijn kant uit springt, Leon." "Nee, Minoe." Leon begon te roosteren. Minoe keek de andere kant op. "Gadverdamme, Leon. Wat een riekende stank." "Ja", zei Leon. "Het riekt nogal. Daar kan ik niks aan doen. Die riekende damp is onvermijdelijk. Dat weet je." De deur knalde open en daar stond Arend met zijn handlanger. Beide keken ze op Leon neer. Ze keken ineens met een vies gezicht. "Wat een riekende stinklucht hangt hier", spraken ze beide in koor. "Ja", zei Leon. "Ik heb een riekend gebakje gezet. Het zit nu ergens in één van mijn broekspijpen." "Heb je geen luier aan?", vroeg Arend. "Nee", zei Leon. "Ik ben mijn luier vergeten aan te doen. Ik heb alleen mijn pyjamabroek aan. Ik snap er weinig van." "Trouwens", zei Arend. "Daar hoef ik niks om te geven. Los jij jouw sanitair maar op. Roep de Beppen maar.
"Ik kom je nu vertellen Leon, dat ik je toch helaas het leven zeer zuur zal maken. Want je zal niet veel langer leven dan nog maar enkele dagen of een paar weken. Je zal sterven van de honger en de dorst hier in deze opsluiting. Deze kamer gaat op slot. Wij zullen het terrein verlaten op weg naar een nieuw leven. Maar jij, Leon, jij zal hier sterven en ook op weg gaan naar een nieuw leven, maar dan in het hiernamaals. Wij beginnen een nieuw leven ergens in de tropen, lekker onder de warme zon. Als industrieel, als directeuren zullen wij de wereld gaan veranderen en veroveren. Terwijl jij, Leon en Minou, jullie zullen binnen enkele dagen zo goed als dood zijn. Doe de deur op slot," sprak Arend tegen zijn compagnon en die deed de deur op slot. Leon en Minou bleven binnen. Ze keken geschrokken om zich heen. Leon schreeuwde nog: "Arend, als ik je ooit terug kan pakken, dan doe ik dat. Vuile, slechte jakhals dat je bent. Ik heb nog nooit iemand zo slecht als jou meegemaakt. Je bent een moordenaar. Niet te ontziende moordenaar. Ik haat jou, Arend. Ik haat jou." Arend lachte en zijn gelach bleef hoorbaar tot er een auto werd gestart en de auto weg reed. "Ze zijn weg," zei Leon tegen Minou. En Minou zei: "Ja, dat hoor ik." "Kan jij loskomen, Minou?" Vroeg Leon aan Minou. Minou zei: "Ja, als ik nog eventjes blijf wrikken en bewegen, dan komt die knoop achter wel los te zitten. Als ik zo doorga is misschien binnen een uur het touw los." En dat was ook zo. Binnen een uur had Minou alle touwen los. Ze had Leon de touwen ook losgeknoopt en Leon in zijn rolstoel gezet. Nu waren ze aan het kijken om de deur van het kamertje te openen. Dat was moeilijk, want de deur was van staal. Er kwam heel weinig licht binnen. Minou ging op de tast om zich heen voelen of ze iets kon vinden om die deur te openen.
Ze zag in het plafond de rookmelder zitten en kwam op het idee. Ze dacht: als ik daar rook in laat lopen en het alarm gaat af, gaat het alarm ook op het politiebureau af en die komen dan hier naartoe. Ze stak met de aansteker van Leon een sigaret aan en liet die branden onder de rookmelder. Op een gegeven moment ging het alarm af en dat bleef doorgaan. 'Zo,' zei Minou: 'nu moeten we wachten op de politie.' Leon en Minou bleven 20 minuten lang wachten op de politie. Ze hoorden lawaai in het gebouw ineens. De politie kwam binnen en ze begonnen te roepen: 'Help, we zitten in de kelder. We zitten hier.' Plotseling begon de politie aan de stalen deur te breken en het slot te forceren. Binnen enkele minuten was de deur open en Leon en Minou kwamen weer in vrijheid. 'Wat is er gebeurd met jullie?' vroeg de politie. 'We zijn zojuist ontvoerd en opgesloten in deze kamer,' zei Leon. 'Arend Vivaldi is de dader.' 'Arend Vivaldi? Die motorrijder van Vliegend Motorrijden?' 'Nee, die motorrijder van Vliegend Motorrijden, dat ben ik. Arend heeft ook van Vliegend Motorrijden gedaan. Hij noemde zich de Vliegende Adelaar of de Vliegende Arend. Ik noemde mezelf de Vliegende Motorrijder. Ik was van Vliegend Motorrijden. Arend was van Vliegend Aardvijg.' 'Ik ken jullie,' zei de politie. 'Ik heb jullie jarenlang zitten volgen. Jullie stunts over en weer, iedere zaterdag en zondag in de weekenden. Ik heb jullie allebei zien verongelukken. Het is zeer treurigezwaardig wat jullie is overkomen. Allebei een dwarslaesie, een gebroken nek en een gebroken rug. Dat is verschrikkelijk. Jullie kunnen niet meer bewegen of lopen. Wat een ramp.'
Later in de week kreeg Leon verschrikkelijke problemen. Arend had de vrouwtjesrobot bijna af, maar de mannetjesrobot zat nog steeds achter Minou aan. Hij was helemaal verliefd. Minou wist dat de robot in de buurt zat. Ze had hem zien rijden in een Mercedes S500. Hij stond soms te posten ergens in de buurt, had ze gehoord. De robot is een ramp. Hij is veel te slim. Met zijn AI-verstand dreigt hij het grootste gevaar op te leveren ooit beschreven door een mens. De politie was op de hoogte van de robot. De verliefde robot was niet te stoppen. Hij wilde Minou vastgrijpen en vasthouden. Leon reed rond door de buurt op zoek naar de robot. Hij was bewapend met een zwaar kaliber wapen, op zoek naar de robot om hem voorgoed naar de schroothoop te helpen. Hij was erg geschrokken. De robot was hem weer te slim af. Hij was in de buurt en was weer ontkomen. Af en toe hoorde Leon geweerschoten uit de buurt klinken. Dan wist hij: daar zit die robot. Dan ga ik daar snel naartoe. Hij reed met zijn auto plankgas richting het geweervuur dat hij op een afstand hoorde. Ineens flitsten er twee lampen aan. Leon schrok. Hij stampte op de rem en bleef uit zijn voorraam kijken. Toen zag hij ineens de robot achter het stuur zitten van een zwarte Mercedes S500. Hij keek Leon aan en bleef eventjes kijken. Plots stampte hij op zijn gaspedaal. Hij kwam in volle snelheid op Leon afgereden. Leon wilde wegrijden, maar zijn auto sloeg af. Hij reed in zijn achteruit. Hij stampte zijn koppeling in zodat hij door bleef rollen in zijn achteruit. Hij gooide de deur open en sprong naar buiten. Toen begon hij te rennen achter een lantaarnpaal. Daar kwam de robot aan. Boem! Tegen de lantaarnpaal. De lantaarnpaal helemaal scheef tegen de grond. De auto was tot stilstand gekomen, om de lantaarnpaal heen gevouwen. De robot bleek vele mankementen te vertonen. Er kwam rook uit, er kwamen vonken uit en hij haperde af en toe. Toch keek hij Leon aan en de deur vloog open. Hij kwam eruit gestrompeld, stapte uit de auto en strompelde richting Leon. Leon begon te rennen. Alsof de dood hem op de hielen zat. De robot riep: "Stop Leon, ik wil je wat vertellen." Leon stopte en keek om. De robot zei: "Arend heeft mij gemaakt naar jouw ideeën en plannen. Ik begon de kleuren mooi te vinden. Ik begon het geluid en de muziek mooi te vinden. Ik begon alles mooi te vinden. Toen begon ik Minou mooi te vinden. Ik had haar gezien op een fotootje. Arend vertelde me alles over Minou en jou, Leon. Dat je slim kon zijn, maar dat ik een grote kans maakte. Nu heb je me toch geraakt. Was dat geluk? Of was dat opzet om achter die lantaarnpaal te gaan staan? Vuile frietbakker. Een frietbakker zoals jij kom ik zelden tegen. Dan heb je ook nog eens het geluk om achter die lantaarnpaal te gaan staan. Zelfs de lak is van mijn vel gesprongen. Je hebt me in schroot verschrompeld." De robot viel voorover met zijn gezicht in het gras. Leon begon weer te rennen richting het huis van Minou. Hij opende de deur en ging naar binnen. Hij zei: "Minou, ik heb die gekke robot die verliefd was op jou net kapotgemaakt. Hij is met zijn gezicht in het gras gevallen na een zwaar ongeluk tegen een lantaarnpaal." "Ja?" zei Minou. "Dan heb ik geluk." "Ja," zei Leon. "Ik hoop niet dat Arend meer van dat soort robots in de maak heeft, ik krijg last van zenuwen." "Neem een paracetamol." "Die neem ik nooit. Dat weet je toch? Paracetamol is rommel. Ik moet wat sterkers hebben." "Schiet op. Misschien komt dadelijk die robot weer tot leven." "Die is dood. Hij heeft plechtig zijn einde aan mij lopen opbiechten en zijn anekdotes spraken mooie woorden. Helaas, ook voor die robot is de dood een normale oplossing. Opruimen die rommel. Stinkende robot. Doe maar rustig. Ik ga iets moois zetten en kom ik dadelijk wel weer hier beneden bij zitten. Ik ga nu wat moois zetten." Minou begon de bloemetjes water te geven. Ze moest denken hoe Leon zijn nek ineens had kunnen maken. Dat is geluk hebben en dat is best wel slim. Die kroon van goud, zwaar in gewicht, veel geld waard, maar op het hoofd met de nek draaiend, kreeg hij meer neksspieren totdat die wervels weer op elkaar sprongen. Toen was zijn nek weer gemaakt Dat is mazzel hebben. Je moet ook zijn kroon hebben gewonnen met het motorrijden. The king of vliegend motorrijden. Nu eindelijk weer aan het rennen, aan het wandelen, trappen omhoog. Zijn zooi pakken en dadelijk weer problemen oplossen. Gelukkig, hij heeft die robot zien sterven. Wat raar dat een robot sterft. Leon zei ineens, hij was weer beneden: die robot leefde echt, want hij begon dingen mooi te vinden. Daarom, Minou, vond hij jou ook mooi. Die robot hield van kunst, van mooie dingen, van mooie kleuren en van mooie muziek. Dat viel enorm op. Dat is heel levendig. Zo'n simpele robot, zo levendig. Dat is het geluk dat uit de lucht komt vallen. Dat vind ik niet gelukkig, Leon. Die robot heeft mij drie dagen klem gehouden en ik heb doodsangsten uitgestaan, hier op de grond schreeuwend. Ik heb drie dagen niet kunnen slapen daar op de grond. Ik heb geschreeuwd en met een schorre stem is alles goed gekomen. Toen die robot zijn batterij ineens leeg was. Ik wist niet dat Arend die batterij op afstand kon laten opladen. Nee Minou, dat konden we niet weten. Toen ging die robot met veel geweld zijn boeien kapot breken en uit zijn stoel losbreken, uit de opslag gebroken. Toen weer in een sneltreinvaart naar jou. Toen werd ik bang, want die robot is niet te stoppen. Ik was bang dat hij mij deze keer wel zou doodmaken. Dat kunnen we niet weten, Minou. Volgens mij is hij verliefd. Dat zegt de rest ook. Iedereen zegt dat. Hij vindt mooie dingen mooi. Jij bent zo mooi. Dat ziet die robot meteen. Hij vindt kleuren mooi, hij vindt muziek mooi, hij vindt het leven mooi. Toch was hij iets te hebberig en wou hij jou. Ook nog een robot, Leon. Dat is wat ik bedoel. Dat is niet normaal. Dat kan ik begrijpen, Minou. Dat is niet normaal. Ik zou liever geen vrouwelijke robot achter mij aan hebben. Heel de dag angst en bang. Ik snap dat. Dat moet je niet hebben