Vliegend motorrijden vervolg

Vliegend motorrijden vervolg

Arend keek Leon weer vuil aan. Hij zei: Leon, gisteren heb ik nog boksen op televisie gezien. Die twee boksers, ik kan ze effe niet op de naam komen, maar die ene had zijn tanden laten trekken. Vind jij dat eerlijk, Leon? Wat zeg je nou, Arend? Eén bokser had z'n tanden laten trekken. Waarom dan? Omdat die klappen dan niet zo imponerend hard aankomen. Daarom heeft hij dat gedaan, Leon. Ik heb hem door, die smiecht. Zou dat zijn, Arend? Zou dat zijn om een, een rake klap beter te kunnen verwerken? Dat vrees ik haast van wel, Leon. Daarom heeft hij zijn tanden laten trekken, die smiecht. Leon, ik zal jou wat vertellen. Ik stond ooit verse patatten te serveren aan de voordeur bij ons thuis. Ik kreeg ruzie met twee lastige violen aan de deur en die kreeg Ik er maar niet vanaf. En toen gaf ik er eentje een rake patat en ik bleef patatten serveren, want ze bleven komen. En toen kreeg ik die twee lastige violen van mijn deur afgeslagen. En toen begreep ik: hoe minder tanden dat ze hebben, hoe minder dat ze voelen. Dat is waar. Iemand zonder tanden krijg je niet zomaar tegen de grond geslagen. 

Die bokser ook zonder tanden, dat is gewoon laf. Maar ja, hij heeft wel gewonnen. Hij stond ook flinke patatten uit te delen op het laatst en die ander was totaal kansloos. Ja, zei Leon, dat is inderdaad een slim idee ja, om je tanden te laten trekken als bokser. Dan kun je niet verliezen. Op zo'n manier kun je zeker niet verliezen nee. 

Leon, ken jij Schele Joep nog? Schele Joep van, uh, Jasmin? Schele Joep. Oh ja, die ken ik nog ja. Die zo slecht kon nadenken. Ja, die ja, die ligt nou onder de grond. Onder de grond. Hoe zo dat? Hij zei altijd: het leven is één groot feest. Dat zei die 's morgens vroeg en dan zei die 's middags, maar dat zei die de hele dag door eigenlijk. Heel de dag was het leven één groot feest. En maar roken en maar zuipen en maar snuiven. En ga zo maar door. Iedere dag, hè. Ja, Schele Joep heeft dat geweten. Misschien was het daarom dat hij zo scheel keek. Ik dacht altijd dat hij zo slecht kon nadenken, dat hij het daarom moeilijk had met rechtdoor kijken. Nee hoor Leon, dat heeft te maken met al die drugs die die nam, denk ik. En die alcohol. Schele Joep is verdomme jong gestorven. Ja, dat is jammer, zei Leon. Maar ik denk: Schele Joep, die komt nog wel een keer de grond uit. Denk je niet, Arend? Ik ken hem goed, zei Arend. Dus misschien heb je daar wel kans op. Van Schele Joep kun je alles verwachten, dat weet iedereen. Ja, zei Leon, die komt nog wel een keer de grond uit. 

Knobbel Bult trouwens, stond hier laatst voor jouw raam met, uh. Een nieuwe vriend. Eerlijk waar. Knobbel Bult met een nieuwe vriend. Ja, ik zag haar staan hier. Ze stond zo voor het raam van moet mij eens bekijken dan. Waar heb je haar bekeken dan? Nee, ik deed het gordijn dicht en, uh. En dat vonden ze denk ik niet leuk. Heb je goed gedaan, Arend. Ik mag jou wel. Dat wijf is een echte terrorist. Ze heeft meerdere malen mijn banden lek gestoken van mijn rolstoel. Dat vindt ze leuk. Ik weet zeker dat zij het is geweest. Er liggen pinettes op de grond. Hier voor mijn deur soms. Arend, heb je wel eens door zo'n pinetta heen gereden? Dus zei je. Dat echt waar. Ja, zo is Knobbel Bult. Ze heet niet voor niks Knobbel Bult. Ja, en zo ziet ze er ook uit. Ja, inderdaad Arend. Maar als ze een vriend. Ja. Ja, zo'n hele ouwe. Ik denk zeventig of tachtig jaar. Dat is eigenlijk wel grappig, Arend. Maar ja, ik zal toch een gebedje gaan zeggen voor Knobbel Bult, want ik vind haar wel zielig. Maar ze moet niet meer mijn banden lek steken, want die terrorist blijft bezig. Die houdt nooit op. Waar haalt ze de energie vandaan? Boosaardig wijf wat mij blijft kleineren en klein maken. Ik heb godverdomme mijn nek gebroken en dan gaat ze nog door. Wil ze mij onder de grond hebben of zo? Je hebt je nek toch niet door haar schuld gebroken? Nee, niet door haar schuld. Trouwens, dat weet ik niet. Dat zou misschien wel kunnen. Dat zij mijn remkabel heeft doorgeknipt. Maar ja, dat wijf gaat gewoon door. Ze wil mij misschien onder de grond hebben. Dat kan ik toch niet pikken, Arend? Laat haar maar gaan. Ze heeft nou een vriend, dus is ze misschien een stuk gelukkiger. Ja, maar hoe kan dat wijf nou zoveel boosheid in haar verstand vasthouden? Heb je gezien hoe ze uit haar ogen kijkt? Ja, dat heb ik gezien, Leon. Dat is schrikken, dat weet ik wel. Ik durf haar niet aan te kijken. Ik durf er gewoon niks aan te vragen. Arend. Kun je haar niet vergeven dan? Een gebedje voor haar opzeggen en vragen om vergiffenis? Dat zal ik haar toch persoonlijk moeten vragen, Arend. Ik denk dat ik er wel een keertje ga bellen om te kijken of dat zo is. Ga er nou dan langs, Leon. Je hebt nou een tong rolstoel. Je kan er gerust naar toe. Je banden zijn nog heel. Ja, ik ga eventjes met mijn tong rolstoel daar naartoe en dan ga ik daar eventjes aanbellen met mijn tong. Moet je doen Leon. En gewoon tegen haar zeggen dat het je allemaal heel erg spijt en dat je een lekker lekkere taart voor haar gaat bakken. O, dat is een goed idee Arend, Dat ga ik doen ja. Dan ga ik haar een taart aanbieden en vragen welke soort taarten zij het liefste heeft. Goed Leon. Moet ik met je mee om op wacht te staan? Nee Arend, ik ga zelf wel. Ik ga nu. En Leon ging met zijn tong rolstoel de deur uit, richting het huis van mevrouw Knobel Bult. En hij belde met zijn tong aan. Ze deed open. Mevrouw Knobel Bult keek Leon aan. Ze keek meteen heel vies. Ze zei: "Wat moet jij nou?" Leon zei: "Het spijt me zo erg, mevrouw Friodelia. Ik heb gemerkt dat jij misschien een beetje een hekel aan me hebt. Ik heb al die jaren geprobeerd jou toch als vriendin te houden. 

I'm alone. Ik ben helemaal alleen hier in deze wereld. Wat een vreemde droom is dit. Ik lijk wel zo wakker, maar toch is het. Het moet een droom zijn, het kan niet anders. Er is hier helemaal niemand. Alles is hier anders. Maar ineens ziet Leon in de verte. Arend lopen en Arend kwam naar Leon toe. Arend zei. Leon, dat is vreemd. Ik ben hier in een hele vreemde droom en toch lijk ik wakker. Er is iets geks aan de hand. Leon zei: dit is geen droom. We zitten in de hel, Arend. Het is nu echt zover. Is dat echt waar, Leon? Ja, dat denk ik, ja. Arend. Wacht, daar staat een naamplaatje. Kijk eens even wat er op dat naamplaatje staat. Er staat op Transsylvanië. Hel. Ja, zeker. Leon. We zitten in de hel. In Transsylvanië. Wat moeten we doen nu? Ik weet het niet, Arend. Lees het bordje daarheen. Staat daar. Op dat bordje staat verboden te slapen hier in de hel. Wij zullen, als we worden gezien, daar direct worden gevangen gezet en geëxecuteerd. Dat is niet zo mooi, Leon. Nee, Arend. Executie. Godverdomme! Hé, zie je daar die auto? Daarginds? Laten we daar instappen en snel een weg vinden richting de hemel. Dat is een goed idee, ja. Laten we snel in die auto springen. En Leon en Arend stapten de auto in. Ze begonnen te rijden. Ze reden wat over een grasveldje richting de weg en reden de weg op. Welke kant moeten we op, Arend? Ik gok. Rijden maar alsmaar rechtdoor en blijf maar alsmaar rechtdoor rijden. Als we die recht blijven aanhouden, dan kunnen we op een gegeven moment in de hemel terechtkomen. Na de hel komt de hemel natuurlijk, Leon. En met deze auto zijn we daar snel. Oké, gaan dan. En Leon en Arend reden richting wat zij dachten de hemel. Ineens verscheen er een auto in de binnenspiegel. Een achtervolger. Hij naderde snel. Hun reden in een Mercedes, terwijl Arend en Leon in een Skoda reden. De Mercedes naderde snel en er staken ineens vier armen en vier messen uit het raam. Dat waren de boze geesten. Ze komen ons executeren. Arend, riep Leon. Ik ga nog even wat sneller rijden en Leon trapte de gaspedaal helemaal tot aan de bodem in. Dat ging al beter. Deze snelheid leek heel eventjes sneller dan de Mercedes, maar dadelijk kwam de Mercedes alweer aan. Hij ging voor de Skoda rijden, maar Leon wist met een hele handige stuurmanoeuvre de Mercedes weer uit de baan te rijden en draaide zeer snel naar links een gangetje in. De Mercedes ging het gangetje voorbij en moest vol in de remmen, terwijl Leon en Arend het gangetje doorkrosten. Zo snel als ze konden, moest de Mercedes in zijn achteruit, rechts het gangetje insteken en plankgas achter Leon en Arend aan. Maar dat ging maar niet. De Mercedes viel ineens stil. De motor viel uit. Ze hadden pech. Leon en Arend reden plankgas door het steegje terwijl ze riepen: de rapen zijn gaar. We gaan nog niet naar huis. Nog lang niet. Nog lang niet. We gaan eraan. Arend? Ja, Leon, we gaan eraan. De rapen zijn gaar. En ze bleven plankgas door het steegje crossen, alsof ze eigenlijk voor de dood niet meer zoveel schrik hadden. We moeten hier uit die hel, Arend. Dat is veel erger dan de dood. Dus neem maar flink wat risico's. We blijven naar het noorden. Laten we dat zij het noorden rijden. En hopelijk komen we dan in de hemel terecht. Plankgas of niet? Jazeker, zei Arend. Zeker weten, jongen. En voor vele dagen bleven Leon en Arend plankgas de weg rechtdoor vervolgen. Maar nu ineens zagen ze weer in de verte een auto naderen, weer met vier personen uit de ramen en weer met grote messen kwamen ze op hen af Er klom een skelet uit de Mercedes. De skelet sprong boven op de Skoda en zat boven op het dak. Arend riep: "Er zit een skelet op het dak! Leon, schud hem eraf. We gaan naar links en rechts zigzaggen totdat het skelet ervan afvliegt." De Mercedes kwam dichterbij, maar Leon trapte vol op de rem, stuurde en liet de Mercedes voorbijrijden, recht het kanaal in. Weer hadden ze geluk, weer werden ze niet ter executie gebracht. Blank als een naar de hemel, riep Arend. "Zeker weten," suste Leon. "Dit is geen leven. Dit is de hel." "Vertel mij wat," zei Arend. "De rapen zijn gaar, jongen." "Zeker weten. De rapen zijn gaar. Arend, mocht ik dit niet overleven, wil jij dan tegen mijn vriendinnetje zeggen dat ik zoveel van haar hou en nooit meer aan een ander zal denken?" "Dat is toch normaal?" zei Arend. "Dat zal ze toch wel weten?" "Ja, maar dat wil ik voor de zekerheid nog een keer zeggen."

 

I'm alone. Ik ben helemaal alleen hier in deze wereld. Wat een vreemde droom is dit. Ik lijk wel zo wakker, maar toch is het. Het moet een droom zijn, het kan niet anders. Er is hier helemaal niemand. Alles is hier anders. Maar ineens ziet Leon in de verte. Arend lopen en Arend kwam naar Leon toe. Arend zei. Leon, dat is vreemd. Ik ben hier in een hele vreemde droom en toch lijk ik wakker. Er is iets geks aan de hand. Leon zei: dit is geen droom. We zitten in de hel, Arend. Het is nu echt zover. Is dat echt waar, Leon? Ja, dat denk ik, ja. Arend. Wacht, daar staat een naamplaatje. Kijk eens even wat er op dat naamplaatje staat. Er staat op Transsylvanië. Hel. Ja, zeker. Leon. We zitten in de hel. In Transsylvanië. Wat moeten we doen nu? Ik weet het niet, Arend. Lees het bordje daarheen. Staat daar. Op dat bordje staat verboden te slapen hier in de hel. Wij zullen, als we worden gezien, daar direct worden gevangen gezet en geëxecuteerd. Dat is niet zo mooi, Leon. Nee, Arend. Executie. Godverdomme! Hé, zie je daar die auto? Daarginds? Laten we daar instappen en snel een weg vinden richting de hemel. Dat is een goed idee, ja. Laten we snel in die auto springen. En Leon en Arend stapten de auto in. Ze begonnen te rijden. Ze reden wat over een grasveldje richting de weg en reden de weg op. Welke kant moeten we op, Arend? Ik gok. Rijden maar alsmaar rechtdoor en blijf maar alsmaar rechtdoor rijden. Als we die recht blijven aanhouden, dan kunnen we op een gegeven moment in de hemel terechtkomen. Na de hel komt de hemel natuurlijk, Leon. En met deze auto zijn we daar snel. Oké, gaan dan. En Leon en Arend reden richting wat zij dachten de hemel.

Ineens verscheen er een auto in de binnenspiegel. Een achtervolger. Hij naderde snel. Hun reden in een Mercedes, terwijl Arend en Leon in een Skoda reden. De Mercedes naderde snel en er staken ineens vier armen en vier messen uit het raam. Dat waren de boze geesten. Ze komen ons executeren. Arend, riep Leon. Ik ga nog even wat sneller rijden en Leon trapte de gaspedaal helemaal tot aan de bodem in. Dat ging al beter. Deze snelheid leek heel eventjes sneller dan de Mercedes, maar dadelijk kwam de Mercedes alweer aan. Hij ging voor de Skoda rijden, maar Leon wist met een hele handige stuurmanoeuvre de Mercedes weer uit de baan te rijden en draaide zeer snel naar links een gangetje in. De Mercedes ging het gangetje voorbij en moest vol in de remmen, terwijl Leon en Arend het gangetje doorkrosten. Zo snel als ze konden, moest de Mercedes in zijn achteruit, rechts het gangetje insteken en plankgas achter Leon en Arend aan. Maar dat ging maar niet. De Mercedes viel ineens stil. De motor viel uit. Ze hadden pech. Leon en Arend reden plankgas door het steegje terwijl ze riepen: de rapen zijn gaar. We gaan nog niet naar huis. Nog lang niet. Nog lang niet. We gaan eraan. Arend? Ja, Leon, we gaan eraan. De rapen zijn gaar. En ze bleven plankgas door het steegje crossen, alsof ze eigenlijk voor de dood niet meer zoveel schrik hadden. We moeten hier uit die hel, Arend. Dat is veel erger dan de dood. Dus neem maar flink wat risico's. We blijven naar het noorden. Laten we dat zij het noorden rijden. En hopelijk komen we dan in de hemel terecht. Plankgas of niet? Jazeker, zei Arend. Zeker weten, jongen. En voor vele dagen bleven Leon en Arend plankgas de weg rechtdoor vervolgen. Maar nu ineens zagen ze weer in de verte een auto naderen, weer met vier personen uit de ramen en weer met grote messen kwamen ze op hen af

Er klom een skelet uit de Mercedes. De skelet sprong boven op de Skoda en zat boven op het dak. Arend riep: "Er zit een skelet op het dak! Leon, schud hem eraf. We gaan naar links en rechts zigzaggen totdat het skelet ervan afvliegt." De Mercedes kwam dichterbij, maar Leon trapte vol op de rem, stuurde en liet de Mercedes voorbijrijden, recht het kanaal in. Weer hadden ze geluk, weer werden ze niet ter executie gebracht. Blank als een naar de hemel, riep Arend. "Zeker weten," suste Leon. "Dit is geen leven. Dit is de hel." "Vertel mij wat," zei Arend. "De rapen zijn gaar, jongen." "Zeker weten. De rapen zijn gaar. Arend, mocht ik dit niet overleven, wil jij dan tegen mijn vriendinnetje zeggen dat ik zoveel van haar hou en nooit meer aan een ander zal denken?" "Dat is toch normaal?" zei Arend. "Dat zal ze toch wel weten?" "Ja, maar dat wil ik voor de zekerheid nog een keer zeggen."

Arend. Ik moet weer verse patat serveren. Nou toch niet, hè, zei Arend. Jongen, jij stinkt een uur in de wind. Toch niet in deze auto. We moeten nog snel naar de hemel zien te rijden en jij begint hier alweer verse patat te bakken. Waar ben je mee bezig? Leon zei: het spijt me zeer en begon te persen. Binnen de kortste keren zat zijn luier vol. Arend begon te kokhalzen en te hoesten. Hij probeerde zijn hoofd zo snel mogelijk buiten het raam te hangen, maar in de verte zag hij vreemde wezens weer. Nou, een hele hoop. Misschien wel 80, 100. Met allemaal auto's. Allemaal hadden ze een mes. Dat zijn doodseskaders, Leon. Die moeten we uit de weg gaan. Dus vlug hier rechtsaf. En Leon ging rechtsaf, maar de doodseskaders hadden Leon gezien en zetten de achtervolging in. Ze kwamen met wel tien auto's achter Leon aan en Leon ging plankgas rechtdoor. Ze naderden Leon tot op een meter, tot op een millimeter en begonnen toen op de banden in te hakken. Ze lieten één, twee, drie banden springen en toen begon de auto te schuiven en toen rollen en toen vlogen Leon en Arend eruit. Ze vielen allebei op de grond. Helemaal gebroken lagen ze daar.

De doos Oscars kwamen dichterbij en ze zetten een mes op Leons keel. Ze zetten een mes op Arends keel en toen werd Arend wakker. Arend baadde in het zweet en keek verschrikt om zich heen. Want was dat een nare droom? Echt een vreselijke nachtmerrie. Arend had zo hard lopen schreeuwen in zijn droom dat heel zijn stem schor was geworden. Hij liep naar de koelkast om wat te drinken. En hij pakte mineraalwater uit de koelkast. Hij dronk een glas leeg en gorgelde met zijn keel

De deur van Arend zijn slaapkamer ging open en daar stond Minou samen met Leon. Het was 3.00u midden in de nacht. Arend, wat was dat voor een rare nachtmerrie? Je hebt geschreeuwd alsof je op de markt staat te verkopen. Wat moet ik verkopen? Stront zeker? Leon begon te lachen. Nee, geen stront. Arend. Die zwetspraat van jou. Misschien levert ie wel op. Flikker op Leon. Klap je dadelijk recht voor je smoel. Ho, ho, Arend, ik hou wel op. Minou zei: Arend, jij moet eens stoppen met al die dreigementen van je. Je hebt hier misschien wel de gefi-- de spierste armen van ons allemaal, maar ik denk dat ik nog wel van jou kan winnen omdat ik m'n twee benen nog heb. Ik kan jou trappen, ik kan jou, uh, stampen. Van alles. Ik heb vechtsport gedaan, A-Arend, verschillende vechtsporten. Ik zit nu bij, uh, muay Thai. Thaiboksen. En ik word regelmatig eerste op wedstrijden bij de dames. Ja, dat is wel goed, zei Arend. Dat is wel erg knap. Maar die armen van mij, die heb jij toch niet, uh, Minou? Nee, zei Minou. Dat is inderdaad waar, Arend. Maar ja, ik hoop niet dat wij ooit met elkaar hoeven te vechten. Arend, want je bent toch best wel een goede maat. Dank je wel, zei Arend. Ik draai nog even een shaggie. Mag ik er misschien een topje wiet in draaien, Leon? Heb jij nog die nieuwe wiet van jou? Ja, Arend, hier heb je de wiet. Draai er maar een topje in. Het is oké. Toe maar. En Arend draaide een jointje en begon die te roken. Ja, zei hij, het was een verschrikkelijke nachtmerrie. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Ik zat in de hel samen met Leon. In de hel? Ja, in de hel. En we werden bijna vermoord op het laatst. En toen schrok ik wakker. Holy shit. Ja, we zijn in de hel in een auto gesprongen, jij en ik, Leon. En we hebben geracet richting de hemel. Op gevoel richting de hemel, want er waren geen verkeersborden, geen pijlen. Niemand wist waar de hemel was, dus we moesten op gevoel richting de hemel. Maar wel plankgas in een Skoda. En zo raceten wij door de hel. Was dat ook weer een vorm van stuntcross? Stuntcross in een Skoda? Flikker op man. In een Skoda ken gij geen stuntcross doen. Nee, doe mij maar een motortje voor stuntcross. Fijn, vliegend motorrijden. Het mooiste wat er is, dat weet je toch, Leon? Ja, Arend, dat weet ik wel ja. Vliegend motorrijden is het mooiste wat er is. Punt. Leon. Heb jij mijn hond nog gezien? Smelly? Nee, ik heb Smelly niet gezien. Trouwens, ik zag Smelly laatst met de portemonnee van mij in z'n bek rondlopen. Wat is het voor een rare hond? Die portemonnee heb ik niet meer teruggevonden, Arend. Weet je waar m'n portemonnee gebleven is? Oh Leon, dat weet ik zeer zeker niet. Ik heb Smelly niet met een portemonnee zien rondlopen. Hij heeft hem niet gebracht naar mij. Hij heeft hem vast ergens neergelegd waar jij hem niet hebt kunnen vinden, Leon. Die vind je nog wel terug. Maak je maar geen zorgen. Oké dan. Laten we dat maar hopen dat ik hem terugvind, want er zit verdomme €400 in, jongen. 400, dat is nogal wat. Daar kan ik nieuwe luiers van kopen. Ja Leon, ik moet ook nieuwe luiers hebben, maar van €400 kan gij nogal wat schone luiers kopen. Ja Leon, zeker weten. Hee Arend, wat stinkt het hier. Riekende, riekende stank hangt hier weer. Ja sorry Leon, ik heb een riekend windje gelaten Met wat harde brokjes erin. Nat met brokjes, meer niet. Nogal sterk luchtje. Riekende, stinkende, riekende kutlucht. Inderdaad Leon. Ik kan het ook moeilijk waarderen, die stank. Maar ik ben wel eens erger gewend van jou, Leon. Jij kan ook een flink riekend windje laten. Vind je zelf niet? Nou joh, Arend en Minoe vindt dat ook niet. Wij samen vinden jou wel heel erg riekend. Riekend? Stinken. Jij riekt hier als meest riekende stankverspreider van de woning. Jij. Heb je me gehoord, Arend? Jij riekt nog erger dan de wc van de rioolendienst. Nou, zei Arend: Leon, ik weet zeker dat je harder riekt dan dat ik kan rieken. Die riekende stank die jij hier doet. Kneden. Iedere dag ben jij aan het kneden hier. Ach Arend, dat geeft toch niet? Iedereen die kneedt iedere dag wel zijn eigen setje natte aardappelen. Ja, dat is waar, zei Arend. Maar niemand is er zo-- die zo erg riekt zoals jij, Leon. Daar ben ik bijna zeker van. Hé Arend, dat ben jij toch wel? Hé Arend, nou moet je erover ophouden, anders zet ik je buiten. Anders slaap je maar op de straat. Oké Leon, ik hou wel op. Zet me alsjeblieft niet op straat. Ik hou ermee op en ik zal jou niet meer beschuldigen. Heel verstandig, Arend. Zo hoor ik het graag. Nou, kunnen we jou alleen laten zodat je de nacht verder kan doorbrengen in je eentje? Ja, zei Arend, laat mij maar alleen. Ik ga zo wel slapen. Eerst dit jointje oproken en dan ga ik slapen. Heb jij nog wat brullie, Leon? Eén lijntje brullie? Nee, sorry A-Arend. Ik kan mijn brullie vandaag niet meer missen. Ik heb ze morgen misschien hard nodig, want ik heb bijna geen brullie meer in huis.

Ga dan een nieuwe brullie halen. Nee, Arend, dat ga ik niet doen. Ik heb ook niet voldoende geld, dus kan ik geen nieuwe brullie halen. Vuile gierigaard! Riep Arend. Hé, wil jij je mond dicht houden, Arend? Ik heb al zat voor jou betaald. Niet zo ondankbaar jongen, anders zet ik je het huis uit. Zal je eens voor je gezicht slaan, jongen, als je niet oppast. Dat moet je eens proberen, Arend. Dan breek ik jou helemaal af. Maar jij bent tot je nek toe verlamd. Dat is waar, Arend. Maar ik laat me niet zomaar beledigen door zo'n schoft zoals jij. Ondankbare schoft. Ga het heen, riep Arend en hij rolde de kamer uit. Hij ging naar de koelkast, pakte een biertje, rolde een shaggie en ging weer wat roken en wat drinken. Arend was zwaar chagrijnig. Nou kan ik weer niet slapen. Ik heb zo'n zin in brullie. Maar hij wilde niks geven. Ik pak hem wel een keer terug. Eens kijken of mijn hondje nog wat geld kan vinden. Hij riep Smelly. Smelly, zoek geld! En Smelly ging het huis doorzoeken. Weer had hij de portemonnee
Van Leon weer gevonden. Daar zat €25 in. Arend pakte het geld eruit en zei tegen Smelly: Hier, leg die portemonnee terug. Smelly legde de portemonnee terug en kwam weer naar Arend toe. Arend had nu weer €25. Ik weet waar zijn brulli ligt, dacht Arend. Ik ga gewoon kijken. Ik pak het gewoon af. Ik snuif wat, ik rook wat en ik probeer te slapen. Dat is het beste plan dat ik kan maken. Dus Arend rolde. De rolstoellift in, ging de trap omhoog en ging naar Leons slaapkamer. Daar deed hij de burolade open en pakte alle brulli. Hij ging met de brulli naar de wc en snoof het op en rookte het op. Zo, dit verpakking papier leg ik terug zodat het lijkt alsof de brulli op is. Daar trapte Leon vast in en Arend legde het verpakkingspapier terug en ging snel weer naar beneden in de woonkamer zitten. Leon keek Arend aan. Doei. En Arend zag er zo stoned uit als een aap. Heb jij mijn brulli gerookt? Nee, zei Arend. Ik heb jouw brulli helemaal niet gerookt. Je ziet zo stoned als een aap. Dat is helemaal niet waar, Leon. Je liegt. Vuile leugenaar. Je ziet echt zo stoned als een aap. Ik zie dat meteen.
Barend werd boos en ging de deur uit. Hij ging de straat op. Hij was gestoemd als een aap, dus hij voelde zich eigen goed. Hij ging wel door de stad heen rollen met zijn rolstoel. Hij had nog wat shag. Hij had een biertje meegenomen. Dus hij had nog zat te doen.
Arend had €25 gestolen, dus ging hij snel naar het café en pakte daar nog een paar biertjes. Een paar uur later was hij helemaal dronken. Hij ging terug naar huis. Terug naar Leons huis. Hij kwam thuis bij Leon en Leon zat hem al op te wachten, samen met Minoe. Minoe zei: Arend, je bent zo zat als een aap. Arend zei: Ik had nog wat geld. Ik heb wat bij het café gezeten en wat gedronken. Je had helemaal geen geld meer deze avond. Hoe kom je aan het geld, Arend? Arend begon meteen te liegen. Hij zei: Dat zat nog in mijn schoen. In mijn schoen heb ik vaak nog wat geld zitten en daar had ik deze dag nog niet gekeken. Oh, dus jij vindt zo €25 in je schoen terwijl Leon €25 kwijt is uit zijn portemonnee? Dat vind ik vreemd, Arend. Nou, zei Arend, ik zit hier echt niet te liegen. Ik zou niet durven, zei hij. Dat maakt mij toch een minder mens? Zo stom ben ik toch niet? We weten dat je niet stom bent, Arend, maar jij zit gewoon te stelen van ons. Dat kunnen wij niet pikken. We zetten je het huis uit
Arend zei: Ik ga het huis niet uit. Ik wil jullie nog even spreken over het volgende. Ik ken Leon al meer dan veertig jaar en er is iets in het verleden gebeurd waar liever niemand iets van wil horen. Als jullie mij het huis uit zetten, ga ik gewoon naar het politiebureau en dan geef ik hem aan. Oké, zei Leon. Dan blijf je nog maar een paar weekjes, maar dan wil ik echt dat je hier weggaat. Ja, dat is goed, zei Arend. Dan zal ik zeker, uh, een paar weekjes blijven en dan pas weggaan. Minou zei tegen Leon: Wat heb je dan gedaan in het verleden? Niks ergs, Minou. Gewoon wat, uh, flauwe grapjes eigenlijk. Ik heb niks echt verkeerds gedaan. Nee, het is wat overdreven en, uh, i-ik denk niet dat Arend, uh, de juiste feiten op een rijtje kan melden. Maar laat hem maar. Hij mag hier nog wel eventjes slapen. Als hij maar niet de boel maakt. Als hij maar niet weer gaat stelen van mij, daar word ik keiziek van. Uh, Leon ging weer achter de computer zitten. Zijn uitvindingen op een rijtje zetten terwijl Arend op een afstandje
Zat mee te kijken, maar hij kon het niet zien. Wat was hij dan aan het doen? Hij was heel erg gefocust op het hoofd van Leon. Alsof hij met zijn ogen door zijn hoofd heen keek. Arend was bezig zijn bijzondere gave weer eens te gebruiken om aan geld te komen. Hij was de uitvindingen van Leon aan het stelen, terwijl Leon die nog in zijn hoofd had zitten. Als Leon aan zijn uitvindingen dacht, kon Arend ze horen en zo schreef hij ze een voor een op. Hij had inmiddels alle uitvindingen op papier staan en draaide ineens om. Hij wilde de trap naar beneden gaan met de lift en ineens stond Leon achter hem. 'Wat ben jij geheimzinnig aan het doen, Arend?' 'Niks', zei Arend. 'Ik ben helemaal niks aan het doen. Ik ga nu meteen de trap af om naar beneden. Even naar de wc.' 'Je hebt toch een luier om? Je moet toch alles in je luier doen?' 'Ja', zei Arend. 'Ik bedoel, ik ga alles in mijn luier doen en dan, uh, ga ik naar buiten.' 'Naar buiten? Wat ga je doen dan? Ga je weg of zo?' 'Nee, ik ga niet weg. Ik ga misschien de bloemetjes buiten water geven. Wie weet.' 'Dat mag ik toch weten?' 'Ja', zei Leon. 'Zoek het maar uit dan. Maar als ik erachter kom dat jij mijn uitvindingen aan het stelen bent, jongen.' 'Hoe moet ik jouw uitvindingen stelen? Dat weet ik niet. Daar heb ik echt geen idee van. Welke uitvinding heb je het over?' 'Oh, ik dacht dat jij het wist.' 'Nee, ik dacht dat jij wist, Arend. Blijf maar van mijn uitvindingen af, want die zijn van mij. Ik ben op het punt rijk te gaan worden. Ik wil je ook wel een aardig centje geven, Arend, maar je behoort mijn uitvindingen niet te stelen. Beloof je me dat?' 'Jazeker Leon, dat beloof ik jou.' 'Oké, dan geloof ik je. Nou, gaan we naar beneden. Ik zie je later wel weer. Ga maar wat koffie zetten, Arend.' 'Ja, is goed Leon. Ik ga koffie zetten.' Leon ging terug naar de computerkamer. Maar in plaats van koffie zetten hoorde Leon de d-- voordeur opengaan. Hij keek uit het raam en zag Arend met hoge snelheid weg rolstoelen. Hij ging er als een haas vandoor. 'Kut', dacht Leon. 'Nou heeft hij toch mijn uitvindingen gestolen. . Hoe kan hij nou mijn uitvindingen stelen? Maar ik weet het zeker, ik voel dat gewoon aan. Ik heb een zesde zintuig. Dat is iets wat Arend niet weet. Ik voel die dingen aan. Ik weet het zeker. Leon kon niet achter Arend aangaan, want die was veel te snel en die was al weg. Dus Leon ging snel naar beneden, naar Minou toe. Hij zei: Minou, ik denk dat Arend al mijn uitvindingen heeft gestolen. Wat? Zei Minou. Je uitvindingen? Ja, Minou, mijn uitvindingen. Hij heeft ze denk ik allemaal. Maar hoe heeft hij ze dan gestolen? Dat weet ik niet. Hoe moet ik dat weten? Ja, maar dat is raar, Leon. Je weet niet eens hoe hij ze heeft gestolen en toch weet je het zeker. Ik weet het zeker, Minou. Hij ging als een haas de voordeur uit, terwijl hij eigenlijk koffie ging zetten. Daar moet toch een reden voor zijn. En het moment voordat hij koffie ging zetten, zat hij 10 meter achter mij naar mij te kijken terwijl ik mijn uitvindingen op de computer op een rijtje aan het zetten was. Hij kan toch niet op de computer? Nee, hij kan niet op de computer, want hij heeft het wachtwoord niet. Uh, maar misschien kan hij gedachten lezen. Ah Leon, doe niet zo raar. Jawel, jawel, ik heb ooit zoiets gehoord van hem. Dat hij bij iedereen getal 10 makkelijk in het hoofd kon raden. Godverdomme, dat is waar ook. Ja, dat ben ik helemaal vergeten. Arend kan gedachten lezen. Hij heeft godverdomme mijn uitvindingen gestolen. Mijn gedachtendiefstal. Dan moet ik naar de politie gaan. Ja, bel de politie dan maar. Leon pakte de telefoon en belde de politie.

Ga dan een nieuwe brullie halen. Nee, Arend, dat ga ik niet doen. Ik heb ook niet voldoende geld, dus kan ik geen nieuwe brullie halen. Vuile gierigaard! Riep Arend. Hé, wil jij je mond dicht houden, Arend? Ik heb al zat voor jou betaald. Niet zo ondankbaar jongen, anders zet ik je het huis uit. Zal je eens voor je gezicht slaan, jongen, als je niet oppast. Dat moet je eens proberen, Arend. Dan breek ik jou helemaal af. Maar jij bent tot je nek toe verlamd. Dat is waar, Arend. Maar ik laat me niet zomaar beledigen door zo'n schoft zoals jij. Ondankbare schoft. Ga het heen, riep Arend en hij rolde de kamer uit. Hij ging naar de koelkast, pakte een biertje, rolde een shaggie en ging weer wat roken en wat drinken. Arend was zwaar chagrijnig. Nou kan ik weer niet slapen. Ik heb zo'n zin in brullie. Maar hij wilde niks geven. Ik pak hem wel een keer terug. Eens kijken of mijn hondje nog wat geld kan vinden. Hij riep Smelly. Smelly, zoek geld! En Smelly ging het huis doorzoeken. Weer had hij de portemonnee

Van Leon weer gevonden. Daar zat €25 in. Arend pakte het geld eruit en zei tegen Smelly: Hier, leg die portemonnee terug. Smelly legde de portemonnee terug en kwam weer naar Arend toe. Arend had nu weer €25. Ik weet waar zijn brulli ligt, dacht Arend. Ik ga gewoon kijken. Ik pak het gewoon af. Ik snuif wat, ik rook wat en ik probeer te slapen. Dat is het beste plan dat ik kan maken. Dus Arend rolde. De rolstoellift in, ging de trap omhoog en ging naar Leons slaapkamer. Daar deed hij de burolade open en pakte alle brulli. Hij ging met de brulli naar de wc en snoof het op en rookte het op. Zo, dit verpakking papier leg ik terug zodat het lijkt alsof de brulli op is. Daar trapte Leon vast in en Arend legde het verpakkingspapier terug en ging snel weer naar beneden in de woonkamer zitten. Leon keek Arend aan. Doei. En Arend zag er zo stoned uit als een aap. Heb jij mijn brulli gerookt? Nee, zei Arend. Ik heb jouw brulli helemaal niet gerookt. Je ziet zo stoned als een aap. Dat is helemaal niet waar, Leon. Je liegt. Vuile leugenaar. Je ziet echt zo stoned als een aap. Ik zie dat meteen. 

Barend werd boos en ging de deur uit. Hij ging de straat op. Hij was gestoemd als een aap, dus hij voelde zich eigen goed. Hij ging wel door de stad heen rollen met zijn rolstoel. Hij had nog wat shag. Hij had een biertje meegenomen. Dus hij had nog zat te doen. 

Arend had €25 gestolen, dus ging hij snel naar het café en pakte daar nog een paar biertjes. Een paar uur later was hij helemaal dronken. Hij ging terug naar huis. Terug naar Leons huis. Hij kwam thuis bij Leon en Leon zat hem al op te wachten, samen met Minoe. Minoe zei: Arend, je bent zo zat als een aap. Arend zei: Ik had nog wat geld. Ik heb wat bij het café gezeten en wat gedronken. Je had helemaal geen geld meer deze avond. Hoe kom je aan het geld, Arend? Arend begon meteen te liegen. Hij zei: Dat zat nog in mijn schoen. In mijn schoen heb ik vaak nog wat geld zitten en daar had ik deze dag nog niet gekeken. Oh, dus jij vindt zo €25 in je schoen terwijl Leon €25 kwijt is uit zijn portemonnee? Dat vind ik vreemd, Arend. Nou, zei Arend, ik zit hier echt niet te liegen. Ik zou niet durven, zei hij. Dat maakt mij toch een minder mens? Zo stom ben ik toch niet? We weten dat je niet stom bent, Arend, maar jij zit gewoon te stelen van ons. Dat kunnen wij niet pikken. We zetten je het huis uit

Arend zei: Ik ga het huis niet uit. Ik wil jullie nog even spreken over het volgende. Ik ken Leon al meer dan veertig jaar en er is iets in het verleden gebeurd waar liever niemand iets van wil horen. Als jullie mij het huis uit zetten, ga ik gewoon naar het politiebureau en dan geef ik hem aan. Oké, zei Leon. Dan blijf je nog maar een paar weekjes, maar dan wil ik echt dat je hier weggaat. Ja, dat is goed, zei Arend. Dan zal ik zeker, uh, een paar weekjes blijven en dan pas weggaan. Minou zei tegen Leon: Wat heb je dan gedaan in het verleden? Niks ergs, Minou. Gewoon wat, uh, flauwe grapjes eigenlijk. Ik heb niks echt verkeerds gedaan. Nee, het is wat overdreven en, uh, i-ik denk niet dat Arend, uh, de juiste feiten op een rijtje kan melden. Maar laat hem maar. Hij mag hier nog wel eventjes slapen. Als hij maar niet de boel maakt. Als hij maar niet weer gaat stelen van mij, daar word ik keiziek van. Uh, Leon ging weer achter de computer zitten. Zijn uitvindingen op een rijtje zetten terwijl Arend op een afstandje

Zat mee te kijken, maar hij kon het niet zien. Wat was hij dan aan het doen? Hij was heel erg gefocust op het hoofd van Leon. Alsof hij met zijn ogen door zijn hoofd heen keek. Arend was bezig zijn bijzondere gave weer eens te gebruiken om aan geld te komen. Hij was de uitvindingen van Leon aan het stelen, terwijl Leon die nog in zijn hoofd had zitten. Als Leon aan zijn uitvindingen dacht, kon Arend ze horen en zo schreef hij ze een voor een op. Hij had inmiddels alle uitvindingen op papier staan en draaide ineens om. Hij wilde de trap naar beneden gaan met de lift en ineens stond Leon achter hem. 'Wat ben jij geheimzinnig aan het doen, Arend?' 'Niks', zei Arend. 'Ik ben helemaal niks aan het doen. Ik ga nu meteen de trap af om naar beneden. Even naar de wc.' 'Je hebt toch een luier om? Je moet toch alles in je luier doen?' 'Ja', zei Arend. 'Ik bedoel, ik ga alles in mijn luier doen en dan, uh, ga ik naar buiten.' 'Naar buiten? Wat ga je doen dan? Ga je weg of zo?' 'Nee, ik ga niet weg. Ik ga misschien de bloemetjes buiten water geven. Wie weet.' 'Dat mag ik toch weten?' 'Ja', zei Leon. 'Zoek het maar uit dan. Maar als ik erachter kom dat jij mijn uitvindingen aan het stelen bent, jongen.' 'Hoe moet ik jouw uitvindingen stelen? Dat weet ik niet. Daar heb ik echt geen idee van. Welke uitvinding heb je het over?' 'Oh, ik dacht dat jij het wist.' 'Nee, ik dacht dat jij wist, Arend. Blijf maar van mijn uitvindingen af, want die zijn van mij. Ik ben op het punt rijk te gaan worden. Ik wil je ook wel een aardig centje geven, Arend, maar je behoort mijn uitvindingen niet te stelen. Beloof je me dat?' 'Jazeker Leon, dat beloof ik jou.' 'Oké, dan geloof ik je. Nou, gaan we naar beneden. Ik zie je later wel weer. Ga maar wat koffie zetten, Arend.' 'Ja, is goed Leon. Ik ga koffie zetten.' Leon ging terug naar de computerkamer. Maar in plaats van koffie zetten hoorde Leon de d-- voordeur opengaan. Hij keek uit het raam en zag Arend met hoge snelheid weg rolstoelen. Hij ging er als een haas vandoor. 'Kut', dacht Leon. 'Nou heeft hij toch mijn uitvindingen gestolen. .

Hoe kan hij nou mijn uitvindingen stelen? Maar ik weet het zeker, ik voel dat gewoon aan. Ik heb een zesde zintuig. Dat is iets wat Arend niet weet. Ik voel die dingen aan. Ik weet het zeker. Leon kon niet achter Arend aangaan, want die was veel te snel en die was al weg. Dus Leon ging snel naar beneden, naar Minou toe. Hij zei: Minou, ik denk dat Arend al mijn uitvindingen heeft gestolen. Wat? Zei Minou. Je uitvindingen? Ja, Minou, mijn uitvindingen. Hij heeft ze denk ik allemaal. Maar hoe heeft hij ze dan gestolen? Dat weet ik niet. Hoe moet ik dat weten? Ja, maar dat is raar, Leon. Je weet niet eens hoe hij ze heeft gestolen en toch weet je het zeker. Ik weet het zeker, Minou. Hij ging als een haas de voordeur uit, terwijl hij eigenlijk koffie ging zetten. Daar moet toch een reden voor zijn. En het moment voordat hij koffie ging zetten, zat hij 10 meter achter mij naar mij te kijken terwijl ik mijn uitvindingen op de computer op een rijtje aan het zetten was. Hij kan toch niet op de computer? Nee, hij kan niet op de computer, want hij heeft het wachtwoord niet. Uh, maar misschien kan hij gedachten lezen. Ah Leon, doe niet zo raar. Jawel, jawel, ik heb ooit zoiets gehoord van hem. Dat hij bij iedereen getal 10 makkelijk in het hoofd kon raden. Godverdomme, dat is waar ook. Ja, dat ben ik helemaal vergeten. Arend kan gedachten lezen. Hij heeft godverdomme mijn uitvindingen gestolen. Mijn gedachtendiefstal. Dan moet ik naar de politie gaan. Ja, bel de politie dan maar. Leon pakte de telefoon en belde de politie.

De politie nam de telefoon op en zei: 'Dit is de politie. Wat wilt u melden?' Leon die zei: 'Ik heb hier een vreemd voorval van diefstal voor een aangifte, want mijn uitvindingen zijn zojuist uit mijn hoofd gestolen en ik ken de dader. Ik heb hem een tijdje in huis gehad. Hij kan zeer waarschijnlijk gedachten lezen en heeft hij zo mijn geheimen, mijn uitvindingen uit mijn hoofd opgelezen of te horen gekregen. Ik weet niet hoe dat moet werken, maar zeer zeker met paranormale gaven heeft hij mijn uitvindingen van mij ontdaan, uit mijn geest weggenomen. Niet dat ik ze vergeten ben. Nee, hij heeft ze gestolen, opgeschreven en meegenomen. Ze zijn niet meer geheim. Hij weet ze nu.' 'En hoe bent u daar achter gekomen?' 'Ik zag hem ineens heel snel wegwielen bij mijn voordeur, rechtsaf het hazenpad kiezen, zo snel als dat hij kon. Zo snel heb ik nog nooit iemand in een rolstoel aan de haal zien gaan. Hij ging zo snel hij kon, dus ik verdenk hem wel van enigszins verdachte. Zeer, zeer zeker. Hij moet iets hebben gestolen en ik vrees voor mijn uitvindingen, dus bij deze wil ik aangifte doen.' 'Nou meneer, we kunnen niets met die aangifte, want gelul maar wa om het zo een beetje te zeggen. Gekletst maar wa. Ge-hebt misschien gedroomd. Of misschien heeft u een psychiatrisch verleden, meneer?' 'Ja, ik heb een psychiatrisch verleden. Ik heb ooit stemmetjes gehad of die heb ik nog steeds. En ja, die vertellen mij alles en, en je kan alles verwachten, hè. Je weet maar nooit wat er kan gebeuren. Kijk, stemmetjes verwacht je ook niet op de eerste plaats en ben al nu aan gewend. Maar nu ineens dit.' 'Dus u vreest voor uw uitvindingen en het geheimhouding ervan als u iemand ziet wegsspurten in zijn rolstoel?' 'Ja, inderdaad, dan verdenk ik hem, ja.' 'Misschien moest hij gewoon eventjes aan lichaamsbeweging doen. Of misschien had hij een andere reden om even de versnelling te kiezen. Denkt u daar eens over na, meneer, voordat u aangifte doet. En vooral niet de volgende keer zulke kolder bedenken zoals gedachten lezen, paranormale diefstal. En meneer, dat soort praatjes, daar houden we hier niet van bij de politie. Dat mag u niet meer doen, anders komen we u arresteren. En dan kan jij hier fijn in het celletje je straf uitzitten, want er staat een flinke straf op. Dus meneer, ik hou u gewaarschuwd. Als u nog één keer belt met zo'n lulverhaal, dan komen we je halen.' 'Waarom gelooft u mij niet gewoon?' 'Jongen, doe niet zo dom. Wie zal jou nou geloven als je met zo'n gek verhaal komt?' 'Ja, maar meneer, u moet maar geloven, die Arend, die is niet te vertrouwen.' 'Zei u daar Arend?' 'Ja, Arend.' 'Is dat toevallig Arend van Vliegend Motorrijden?' 'Ja, dat is Arend van Vliegend Motorrijden, ja.' 'Hé, die stuntman.' 'Ja, Arend de stuntman, ja.' 'Oh, daar ben ik jarenlang fan van geweest.' 'Hé, dat is, is, dat is, dat is nog eens leuk. En u vreest dat hij uw uitvinding heeft gestolen?' 'Nee, ik verdenk Arend daar niet snel van. Jawel hoor, hij heeft inmiddels z'n rug gebroken en hij is voor de rest van zijn leven zwaar terneergeslagen. Chagrijnig, moedeloos, hopeloos. Zinloos zegt hij wel eens. Ik hoor hem wel eens aan. En die man, die ziet het niet goed meer zitten, want hij heeft een levenloze toekomst, zegt hij dan. En: 'Het bestaan, wat levert dat nog op?' zegt hij wel eens. Ik heb gezegd: 'Arend, wil er dan een einde aan maken.' 'Daar moet ik nog eens even over nadenken', zei hij dan. Dus ik denk dat die man tot alles in staat is om mijn mooie toekomstdromen zomaar bij me weg te stelen om er zelf z'n voordeel uit te nemen en mij gewoonweg niet Niets. Anders dan mij te kwellen met zo'n gemene rotstreek. Het is een verschrikkelijke man. Ja, maar we kunnen Arend niet oppakken omdat hij een beetje chagrijnig is geworden en onbeschoft en onbeleefd. Jazeker, zegt Leon. Onbeschoft en onbeleefd. On aardig, niet normaal. Chagrijnig en niet te vertrouwen. Dat is me iets te ver gegaan, zei de politieman. Ik hang nu de, de telefoon op. Als u nog één keer belt, komen we u ophalen. Dag meneer. En Leon keek met twee zotte ogen voor zich uit. Hij zei: ze hebben weer eens opgehangen, die politie. Daar kan ik echt helemaal niks mee. Daar weet ik me geen raad meer mee. Minou, Arend heeft mijn uitvindingen gestolen, daar ben ik zeer zeker van. Ik heb dat soort intuïtie, weet je, Minou, dat voel ik aan. Nee hoor Leon, geloof maar niet dat Arend jouw uitvindingen heeft gestolen. Daar is hij ook gewoon niet slim genoeg voor. Heb je niet gezien hoeveel spelfouten hij maakt in een geschreven boodschappenlijstje? Die man is minder slim dan de meeste en hij kan haast niet meer bijleren. Hij kijkt als een dolle uit zijn ogen. Dat is niet alleen maar van bier tanken, hoor Leon. Dat is van meerdere dingen. Allerlei substanties doormekaar en dan ook nog eens bier tanken. Die man heeft die zotte blik zichzelf aangedaan misschien. Dan geeft hij vaak gewoon geen antwoord omdat hij het niet snapt. Dan zie ik hem dom voor zich uit kijken. Alsof hij een moeilijke som moet oplossen. En dan is hij zeer moeilijk aanspreekbaar om eventjes terug in de orde gewoon het juiste antwoord eventjes te formuleren. Die Arend is helemaal dood in die saaie, zotte, dolle geest van hem. Ja, inderdaad Minou. Ik vertrouw wel die Arend niet, dat is het gewoon. Nee Leon, dat kan niet. Die, ook al kon hij gedachten lezen. Die man is te dom. Minou, ik vertrouw het niet. Die man is niet te vertrouwen. Dat zie ik toch aan die zotte domme ouwe kop die. Die gemene lach van hem. Die opmerkingen soms. Dan zit hij op televisie de hele tijd programma's te kijken over nijlpaarden en krokodillen. Op YouTube alles over nijlpaarden en krokodillen. Die man die is gewoon helemaal geflipt, hoor. Kijk ik in zijn portemonnee, zie ik daar allemaal foto's van krokodillen en nijlpaarden. Wat een rare man, zeg. Hij weet niet eens hoe je het moet uitspreken. Wij probeerden het eens, maar het ging niet. Hippo nog wat en krokodil. Ja, wat een rare schooier zeg, die Arend. Maar ja Minou, ja, hij is inderdaad dom. Ik denk niet dat hij daarom mijn uitvindingen kan hebben of begrijpen. Inderdaad, hij kan ze niet begrijpen. Ze zijn veilig dan nog steeds. Ja, Arend is inderdaad erg dom. Ik heb zulke domme gezichten nog nooit in één dag in een dierentuin kunnen vinden. Ook al stond ik daar voor 24 uur in de apenkooi Die man, die is nog dommer dan een aap, wil ik zeggen. Ja Leon, dat denk ik ook. Arend is niet goed wijs. Hij zei een keer tegen mij. Hij vroeg aan mij of ik hier. Of ik zijn shagbal op wilde rapen. Zat hij in één keer met zijn hand. Achter mijn, uh, broek. Ik zeg: "Wat doe jij daar?" "Oh, ik dacht dat daar mijn shagbal zat," zei hij. Keek hij mij met twee van die zotte ogen aan. En zo'n misselijke grijns op zijn smoel. Toen vertrouwde ik die man niet meer, Leon. Waarom zeg je mij dat niet eerder, Minou? Heeft hij jou bevoeteld? Ja, Leon, hij heeft mij bevoeteld en niet zo'n beetje. Maar hij zei: "Is het jouw shagbal of was het mijn shagbal? Ik denk dat ik mijn shagbal heb," zei die. Zit hij daar. En ik heb gezien. Ja, vertel verder, Minou. Nee, dat weet ik trouwens niet zeker. Wat heb je gezien dan? Nee, daar kan ik trouwens niks over zeggen. Dat kon ik niet goed zien. Ik kon niet. Ik weet echt niet meer wat ik zag, Leon. Ik denk zelf ook dat het, uh, misschien gewoon zo is geweest dat hij niet op mij zat te loeren, maar dat hij mij. Zo vaak zat hij bij mij in de buurt en zat hij mij allemaal te bekijken. En dat ben ik wel gewend hoor van andere mannen. Maar hij iedere keer net of ik het niet zag. Hoe gaan die weer? Net, net, net. Net of ik wat van hem aan had. Ja, Minou, ik kreeg die Arend een beetje door. Wat een vreemde jurk, zeg. Die man, die past niet thuis in het rijtje van zotte apen. Die man, die is nog dommer.

Minou, daar rijdt Arend recht voor ons. Laten we rustig naderen, dan kunnen we hem in zijn kraag grijpen. Dat moet jij doen, Minou. En meteen de duct tape goed dichttapen en dan kan hij niet schreeuwen. Dus langzaam naderen. Dan gaan we er nu op af. En Leon en Minou naderden Arend, die nietsvermoedend voor zich uit zat te staren. Ineens werd hij door Minou van achteren gegrepen en ze plakte de duct tape op zijn mond. Hij wou verschrikt omkijken, maar Minou hield hem in bedwang. Doe hem de boeien om! Schreeuwde Leon. Arend viel uit zijn stoel en Minou erbovenop, maar ze rolden hem op zijn buik en pakten zijn armen achter de rug. Doet hem nou de boeien om! Schreeuwde Leon nog een keer en Arend werd de boeien omgedaan door Minou. Hij kon niks zeggen. De duct tape zat stevig. Doe hem nog wat extra duct tape om, riep Leon en de duct tape werd drie keer rond zijn kop gedraaid zodat hij niet meer kon schreeuwen. Hij werd terug in zijn stoel gedaan en ze reden terug naar het huis van Leon en Minou. Arend keek verschrikt uit zijn ogen. Hij was lijkbleek. Leon zei: de duct tape mag heel eventjes van zijn mond af. We zitten nu in de woonkamer. Ik doe de gordijnen even dicht. Doe de duct tape maar van zijn mond af. Arend begon meteen te schreeuwen. Help! Help! Minou rende eropaf en meteen deed ze de duct tape weer op zijn mond. Godverdomme, zei Leon. Wat kan die hard schreeuwen. Dat hadden we niet verwacht. We moeten- we moeten eigenlijk in een geluidsdichte kamer zitten. Daar heb ik dus wel het geld voor, Minou. Maar we proberen een hypotheek te regelen voor een nieuw huis. Een vrijstaand huis en dan kunnen we misschien binnen twee weken, drie weken hebben. Zal ik eens proberen een hypotheek te bellen? Leon probeerde een hypotheek te bellen en het lukte hem toch om een hypotheek te krijgen van 10 miljoen. Hij zei: Minou, dit is onze kans. We gaan een villa kopen, een vrijstaande en dan kunnen we een geluidsdichte kamer Arendje mooi een kamer geven. Daar zal hij blij mee zijn. En dat gebeurde ook allemaal.

Minou, daar rijdt Arend recht voor ons. Laten we rustig naderen, dan kunnen we hem in zijn kraag grijpen. Dat moet jij doen, Minou. En meteen de duct tape goed dichttapen en dan kan hij niet schreeuwen. Dus langzaam naderen. Dan gaan we er nu op af. En Leon en Minou naderden Arend, die nietsvermoedend voor zich uit zat te staren. Ineens werd hij door Minou van achteren gegrepen en ze plakte de duct tape op zijn mond. Hij wou verschrikt omkijken, maar Minou hield hem in bedwang. Doe hem de boeien om! Schreeuwde Leon. Arend viel uit zijn stoel en Minou erbovenop, maar ze rolden hem op zijn buik en pakten zijn armen achter de rug. Doet hem nou de boeien om! Schreeuwde Leon nog een keer en Arend werd de boeien omgedaan door Minou. Hij kon niks zeggen. De duct tape zat stevig. Doe hem nog wat extra duct tape om, riep Leon en de duct tape werd drie keer rond zijn kop gedraaid zodat hij niet meer kon schreeuwen. Hij werd terug in zijn stoel gedaan en ze reden terug naar het huis van Leon en Minou. Arend keek verschrikt uit zijn ogen. Hij was lijkbleek. Leon zei: de duct tape mag heel eventjes van zijn mond af. We zitten nu in de woonkamer. Ik doe de gordijnen even dicht. Doe de duct tape maar van zijn mond af. Arend begon meteen te schreeuwen. Help! Help! Minou rende eropaf en meteen deed ze de duct tape weer op zijn mond. Godverdomme, zei Leon. Wat kan die hard schreeuwen. Dat hadden we niet verwacht. We moeten- we moeten eigenlijk in een geluidsdichte kamer zitten. Daar heb ik dus wel het geld voor, Minou. Maar we proberen een hypotheek te regelen voor een nieuw huis. Een vrijstaand huis en dan kunnen we misschien binnen twee weken, drie weken hebben. Zal ik eens proberen een hypotheek te bellen? Leon probeerde een hypotheek te bellen en het lukte hem toch om een hypotheek te krijgen van 10 miljoen. Hij zei: Minou, dit is onze kans. We gaan een villa kopen, een vrijstaande en dan kunnen we een geluidsdichte kamer Arendje mooi een kamer geven. Daar zal hij blij mee zijn. En dat gebeurde ook allemaal.

 

 

Arend was helemaal bezweet van die nare droom. Hij was nog steeds een beetje bang. Wat een enge droom zeg. Op zo'n manier failliet gaan, dat is het ergste wat er is. Allemaal rijk en machtig en dan ineens voor het lapje gehouden en alles verloren. Dat is toch wel een van de grootste angsten. Arend, hij vertrouwt niemand. Altijd zegt hij weer: "Ik hou wel een oogje in het zeil of ik maak wel d

 

Minou, daar rijdt Arend recht voor ons. Laten we rustig naderen, dan kunnen we hem in zijn kraag grijpen. Dat moet jij doen, Minou. En meteen de duct tape goed dichttapen en dan kan hij niet schreeuwen. Dus langzaam naderen. Dan gaan we er nu op af. En Leon en Minou naderden Arend, die nietsvermoedend voor zich uit zat te staren. Ineens werd hij door Minou van achteren gegrepen en ze plakte de duc ...

 

 

 

 

Dan zeggen we tegen die persoon die aanbelt. Voordat Leon uitgesproken was, werd er aangebeld en Leon en Minou keken naar elkaar. Ze keken elkaar vragend aan. Ja, zei Leon heel zachtjes. Dat is het. Dat is wat ik bedoelde. Er staat iemand aan de deur en die wil weten wat die schreeuwende stem uit onze huis was. Doe jij maar open Minou en zeg maar dat ik het was dat ik televisie zat te kijken. Wat ik precies schreeuwde, dat kon jij niet meer weten. Blijf dat volhouden, dan komt alles goed Minou deed de deur open en daar stond Sjoerd van Breukelen. Hij vroeg: wat was die herrie? Dat geschreeuw uit jullie huis. Ik stond daar even verderop en ik hoorde iemand schreeuwen van: help, ze vermoorden me! Toen zei Minou: oh, dat was Leon. Hij was voetbal aan het kijken op televisie en hij was zo blij met de voorsprong van PSV dat hij bang was dat zijn hart eraan ging. Zijn hart is nogal zwak en Leon is in staat om dan van alles te schreeuwen. Oh, en Sjoerd begreep het wel. Oh, dat kan ik wel begrijpen, zei hij. Ik heb dat op momenten ook wel eens ooit gehad. Ja? zei Minou. Ja, zei Sjoerd, dat is gewoon normaal. Oké, dan ga ik weer. Dan ga ik weer verder. Ik spreek jullie morgen wel. Oké, zei Minou. Ik zie je morgen. Dag Sjoerd. Dag Minou. En Sjoerd ging verder. Minou deed de deur weer dicht en ging naar Leon en vertelde Leon: er is niks aan de hand. Sjoerd weet van niks. Het is-- alles is oké. Leon zei: dan moet je morgen naar de bank, Minou, en dan ga je die hypotheek cashen zodat wij snel een huis kunnen bestellen. Een vrijstaand huis. En ik zal de krant eens opendoen om te kijken naar een geschikt vrijstaand huis. Dan doe ik dat en dan ga jij je voorbereiden op morgen wat je tegen de bank gaat zeggen. Dat is goed, zei Minou. Dat ga ik doen. Leon ging naar de woonkamer en opende de krant. Hij ging zoeken naar een mooi vrijstaand huis dat geschikt was om Arend in bewaring te nemen. Geluidsdicht. Geluidsvrij.

 

 

Minou en Leon mochten een week later al hun nieuwe huis betreden. Leon had de keuze gemaakt en ze gingen in een bos wonen. Midden in een groot bos. Een huis met vele kamers, een bovenverdieping en een middenverdieping en een lage verdieping. Met een torentje om over de bomen heen te kunnen kijken. Dit is exact het juiste huis, Minou, zei Leon. Dit moesten we hebben. Nou moeten we Arend nog even ophalen in het vrachtwagentje. Douwen tussen de vrouwsmeubels en dan kan hij in het meest middelste kamertje met geluidsdichte wanden komen te zitten. Daar houden we hem vast en
We moeten de gehele kamer van Arend nog geluidsdicht timmeren. Maar dat doen we morgen wel. Dan halen we even die materialen. Dat moet jij doen, Minoe. Dan ga je met het busje. Dan haal je de materialen en dan timmeren we de hele kamer geluidsdicht. Dat moet jij allemaal doen, Minoe, want ik ben van land. Dat weet je, dat, dat weet je. Ho. Ik moet weer patatten bakken, Minoe. Ik moet weer eventjes patatten bakken. Heb je even een emmertje voor mij? We kunnen de babbel niet meer roepen, maar jij moet even aan de slag, Minoe. Kun je me eventjes wassen? Want het zit weer helemaal, uh, tot aan de schoenzolen. Sorry, Minoe. Tot aan de schoenzolen. Het spijt me zo, liefje. Ja, zei Minoe. Ik maak dat wel even schoon. En Minoe begon Leon te verschonen. Een paar uur later was Leon weer schoon. En hij had muziek opgezet. Hij zat naar Bob Marley te luisteren, maar ook Elvis Presley en vele rock 'n roll hits uit de jaren 50 en 60. 70er jaren rock 'n roll was wat minder, maar de muziek werd misschien wel wat mooier in die tijd. Wat completer. Oude rock 'n roll, daar begon het allemaal mee. Dat was wel leuke muziek, ja. Leon droomde ervan om ooit eens als Romeo Tennanus op te kunnen treden. Romeo Tennanus, dat was een droomnaam. Hoe heb ik daar ooit op kunnen komen? Dacht ie. Die naam zit mij zo lekker. Ik kan nu al aanvoelen dat de meiden deze naam mij wel degelijk geschikt vinden. En daarom is het eigenlijk wel mooi, ja. En voor jou, hè Minoe? Wat zei je, Leon? Oh niks. Ik was een beetje in mijn eigen aan het fantaseren. Romeo Tennanus, die naam. Ja, Leon, die schikt jou wel. Maar ik denk niet dat jij het ver zal schoppen als zanger. Je kan geen gitaar meer spelen en je kan geen piano meer spelen. Door je stomme stuntkost. Ja, s-stuntkost. Vliegend motorrijden, Minoe. Dat is toch een stukje cultuur? Een stukje diepzinnige, eigentijdse, filosofische denkpatronen. Vliegend motorrijden, Minoe, daar praat ik over. Daar kun je Arend ook boeken over laten schrijven. Over vliegend motorrijden. Arend heeft al ooit een boek geschreven over vliegend motorrijden, zei Minoe. Dat heb ik daar lang gelezen. Hij vertelde ook dat vliegend motorrijden een kunst was. Dat het iets moois was. Een, het mooiste van het leven. Met een diepzinnige bedoeling dan al het andere. Maar wat bedoelt hij dan? Sigaretjes roken en zuipen zeker? Hè? Brullie roken en brullie snuiven. Echt, die man. Die man, die zat mij zo te friemelen met zijn hand. Die viezerik. Is dat echt waar? Zei Leon. Ja, en in één keer hup, zet ie z'n hand klem om mijn achterwerk. En Leon, hij keek me aan alsof ie z'n beste moment aan het beleven was. Echt waar, ja, Arend? Ja, Arend, ja. Wanneer deed hij dat dan? Een paar weken terug. Waarom vertel je mij niks? Ja, gewoon, die Arend. Ik heb die spierballen van hem gezien. Die man is zo sterk als, uh. Die judoster uit de jaren 60. Hoe heet hij ook alweer? Bennie Snijder. Ja, Bennie Snijder. Die judo, uh, freak. Heb je Rudo trouwens nog gesproken? Rudo zit ook onder judo. Zit Rudo onder judo? Ja, al jaren. Hij heeft een zwarte band en een tweede dan of zoiets. Hij doet, uh, mee aan hele hoge wedstrijden en hij behaalt regelmatig medailles.
Maar die Arend, heeft ie jou echt bij jou. Heeft ie jou echt betast? Ja, Arend heeft me flink betast. Ja. Als ik hem kon slaan, dan had ik hem nou geslagen. Minou. Laat maar, ik zal hem wel een keer slaan. Nou is hij toch vastgebonden. En Minou deed de deur open van Arend zijn kamer. Ze liep naar Arend toe. Ze haalde uit en ze sloeg hem vol op zijn gezicht. De ducttape vloog af en Arend zei: waarom deed je dat nou? Je hebt me laatst flink bij de bil gegrepen. Waarom deed je dat? Arend begon te lachen. En Minou werd weer boos. Arend zei: ik dacht dat je dat wel lekker vond. Minou werd nog bozer. Ze pakte de ducttape en draaide die weer drie keer rond zijn hoofd.
Ze had een heet hoofd, riep Minou tegen Arend. Ze spuugde hem in zijn gezicht en ze zei: "Als je dat nog één keer doet, dan maak ik jou kapot, jongen." Arend zat nog steeds te lachen, al konden we hem niet meer horen. De deur ging weer dicht en Arend probeerde te schreeuwen, maar hij kon niet. Het was inmiddels 17:00 uur geworden en Leon zei: "Moet Arend niet wat eten? We hebben nog wat bami staan, dus schep hem maar een bordje bami." "Dan ga ik hem dat brengen", zei Minou. "Ik schep zijn bordje wel even vol en ik breng hem dat wel even." En Minou bracht Arend het bordje bami. Ze deed hem de ducttape af en Arend begon weer te schreeuwen: "Help! Help!" Minou deed vlug de deur dicht van de geluidsdichte kamer en Arend bleef schreeuwen: "Help! Help!" Minou zei: "Arend, schreeuw maar wat, maar niemand kan jou horen. Je zit in een geluidsdichte kamer. Dus schreeuw maar wat. Het is zinloos." Arend stopte met schreeuwen en zei: "Wat moet ik hier?" "Nou", zei ze. "Leon vermoedt dat jij zijn uitvindingen uit zijn hoofd hebt gestolen met telepathische gedachtediefstal." "Ik ken helemaal geen gedachtetelepathie", zei Arend. "Nou, wij denken toch wel het tegendeel, Arend. Je hebt een keer in een interview gezegd dat je telepathisch was en anderen kon horen denken. En dat kon Leon zich maar net herinneren. Dat fragment hebben wij weer gevonden op band. Is dat echt waar, waar Arend? Kan jij mensen horen denken?" "Dat is helemaal niet waar", zei Arend met een geschrokken stem. "Ik kan mensen helemaal niet horen denken. Wat den-- wat zijn jullie voor mensen? Wat denken jullie wel niet? Ik ben zo niet. Ik ben geen dief. Ik heb jullie uitvindingen niet. Ik weet helemaal niks. Helemaal niks. Dus laat me maar vrij." "Nee, Arend, we gaan jou niet vrijlaten. Je blijft netjes hier totdat je ons alles hebt bekend. Dan laten we jou weer vrij. Eet je bordje bami maar op. Ik sluit nu de deur achter jou en ik laat de ducttape van je gezicht af. Ik doe je boeien eventjes los, zodat jij je bami op kan eten. Als je je vergrijpt aan mij, knip ik al je vingers af. Heb je me gehoord, Arend?" "Ja", zei hij. "Ja, Minou, ik heb jou gehoord. Flikker nou maar op en laat mij mijn bordje bami maar leeg eten. Kutwijf. Ik krijg jou wel." Minou lachte en zei: "Viezerik. Ik mag jou echt niet meer. Ik zou je eigenlijk nog een knal voor je gezicht moeten geven. Maar stik jij maar. Ik gooi nu de deur dicht. Flikker maar op, ouwe zeur." En ze gooide de deur dicht en ging weer naar Leon toe Minou liep naar Leon toe en ze zag dat Leon haar aankeek met grote ogen en een vrij wit gezicht. Wat zie je toch bleek, Leon. Leon zei met bedrukte stem: Minou, het is hopeloos. Ik moet weer een stuk gebak in mijn luiertje wegzetten. Heb je weer eventjes voor mij om mij eventjes te wassen? Och, zei Minou. Arme Leon, je blijft je luier volpompen. Vind je dit niet gênant? Liepen tranen over Leons wangen. Hij zei: nee, ik vind dit niet gênant. Dit is gewoon puur natuur. Ieder mens zijn eigen draai. Ja, zei Minou. Ieder mens zijn eigen draai, Leon. Jij draait het nogal op zijn kop. Hele brokken, hapklare brokken, weggezet in zijn uitwasbaar luiertje. Ja, die kan je meteen weer uitwassen, Minou, want hij zit stampvol weer, denk ik. Het voelt aan alsof ie tjokvol zit met dampende stront. Riekende, dampende, stinkende stront, Minou. Ja, Leon. Zeker, ja. Riekende kutstront van jou, baba. Ik hoop dat daar ooit een einde aan komt. Hoezo? Wat bedoel je, Minou? Nee, ik bedoel het niet verkeerd, Leon. Ik hoop dat er een wonder gaat gebeuren dat jou weer in staat stelt om je spijsvertering wat te remmen en te corrigeren richting de wc. Daar alles laat lopen in het toilet. Netjes, dan netjes flusjen. En ga zo maar door. Snap je dat niet wel? Ja, Minou, dat snap ik wel, maar ik ben daartoe nog niet in staat. Ik ben gehandicapt, godverdomme Gehandicapt zijn is heel erg pijnlijk, Minou. Niet alleen het niet meer in staat zijn om te kunnen lopen, dansen, rennen, springen, hinken. Skiën, voetballen, autorijden, fietsen. Maar ook spijsvertering gaat een grotere rol spelen. Dat is iets wat mij ten zeerste op mijn gezond verstand inwerkt, Minou. Iedere keer die scheten die niet gewenst zijn, die dunne schijt die ik nogal vaak doe. Dicteren in mijn waterdichte luiertje. Die strontspetters, die stukken stront, die riekende, riekende stinkstank van die stinkstront. Het is allemaal gewoon bedrukkend voor de persoonlijkheid. Je wordt er wat flauw van. Heb je dat niet in de gaten, Minou? Vind je mij niet veranderd? Vind je me niet wat flauwer geworden? Wat zieliger? Ik jou zielig vinden, Leon? Nee, joh, je bent nog steeds de held. Vliegend motorrijden is een kunst. De held vliegend motorrijden, dat ben jij, Leon. Zo blijf je voor mij bestaan. Je hebt niks meer te verliezen in het leven. Vind je niet? Vind je niet, Leon? Je hebt niks meer te verliezen. Of zeg ik dat soms verkeerd? Leon keek Minou boos aan. Hij zei: wat ben jij toch een rare. Hoe haal je het in je hoofd om te zeggen tegen mij dat ik niks te verliezen heb? Er is nog zoveel in het leven dat ik kan verliezen, Minou. Niet alleen de vliegend motorrij kunst, maar vliegend motorrijden. Naast vliegend motorrijden zijn er nog heel wat dingen erg leuk in het leven, zoals praten met jou. Een gesprek met jou. Ik zou jou niet willen verliezen, Minou. Dat zou mij heel zwaar aan het hart komen te liggen. Arend zat in de andere kamer mee te luisteren en hij bedacht zich een plan. Hij zou Minou gaan vertellen dat Leon eens in haar leven een ander had gehad. En hij had ooit Leons gedachten gelezen. Hij wist wie het was. Hij wist wie het was, maar hoe kon hij dat zo overtuigend mogelijk aan Minou vertellen? Gewoon vertellen, dacht hij. En alle feiten naar voren halen. Hopelijk gelooft ze mij. Rent ze misschien bij Leon weg en dan ben ik hier zo vrij. Dat was een slim plan. Minou kwo-- ging weer naar Arend toe voor een sjekkie. Tien minuten rookmoment en Arend mocht weer roken. Hij had Minou ingelicht over de vriendin van Leon. Hij zei haar dat hij nog steeds verliefd op haar was. Ze geloofde Arend, want die was slim. Hij speelde in op Minou d'r onvermogen om dingen goed te kunnen begrijpen en aan elkaar te kunnen plakken. Haar geest was voor Arend een makkelijk doelwit. Omdat ze Arend geloofde, begon ze heel achterdochtig tegen Leon te praten. En Leon begreep er niks van. Waarom is Minou zo stil? Waarom is Minou zo snel boos op mij? Arend hoorde Leon vragen aan Minou: Minou, waarom ben je zo boos op mij? Waarom ben je zo stil? Arend lachte in zijn knuistje. Hij wist: het is een kwestie van tijd en de bom die barst. Dit heb ik goed gedaan.

eon ontkende in alle toonaden dat hij ooit eens een andere vriendin heeft gehad. Hij zei: zelfs nu heb ik geen andere vriendin, Minou. Geloof me nou. Jij bent de enige ware voor mij. Hoe kan ik jou dat nou aandoen? Ik hou van jou, Minou. Dus geloof je me? Minou sprak: hoe kan ik jou nou geloven? Dit is niet voor het eerst dat je zo loopt te liegen, jongen. Hoezo loop ik te liegen dan? Heel je kop is rood, man. Leon keek naar rechts in de spiegel en zag inderdaad dat z'n kop knalrood was. Hij zei: ik moet nodig eventjes een gebakje wegzetten. Kun je me effe helpen? Minou brak in twee stukken toen ze dat Leon hoorde zeggen . Ze riep: broekenpoep, je leert het ook nooit, hè? Ik geloof niks van die leugens van jou . Leon die zei: wat nou broekenpoep? Ik kan er niks aan doen dat ik af en toe scheetjes laat. Minou werd nog bozer en ze liep richting de kamer van Arend. Ze deed z'n deur open en ging bij Arend naar binnen. Ze zei tegen Arend: Arend, weet jij zeker dat Leon een andere vriendin heeft? Ja, zei Arend en hij liet haar een foto zien. Minou wist niet dat Arend die foto had bewerkt met Photoshop en hem had uitgeprint. Daar stond Leon met een vreemde vrouw op de foto. Die is pas 18 jaar, zei Minou. Ja, zei Arend. Leon is net als een schim. Hij lijkt eerlijk en oprecht, maar op het andere moment is ie ineens met een andere vrouw aan de haal. Kijk, weet je wat ik bedoel? En dan die opzettelijke gebakjes die hij doet wegzetten. Allemaal aandachttrekkerij, Minou. Die man is gewoon een smeerlap. Minou was helemaal verontwaardigd. Ze snuifde door haar neus. Ze blaadde adem door haar mond naar buiten en ademde weer door haar neus in. Ik moet even relaxen, zei ze. Ze snuifde als een dolle stier en keek woest om zich heen. Ik zou hem zo daar die honkbalknuppel op z'n kop kunnen slaan. Arend? zei Minou. Ja, zei Arend. Waarom doe je dat dan niet? En Minou pakte de honkbalknuppel en ze keek naar de deur. Ze dacht na. Zal ik Leon helemaal Tot bloedens toe tegen de grond aan slaan. Of moet ik Arend misschien niet geloven? Toen ze dat dacht, wou ze weer de woonkamer in lopen, maar toen dacht ze weer aan die foto dat ze Leon zag met een 18-jarige vriendin. De vuile smeerlap, zei ze. Hij is een beest. Ik kan hem niet vertrouwen. Hij gaat zomaar met andere vrouwen mee. En nog wel zo'n hele jonge. Jazeker, zei Arend. Veels te jong. Net 18. Jazeker, zei Minou. Wacht maar, dan zal ik hem eens eventjes met die honkbalknuppel voor zijn oog slaan. En ze deed de deur open en liep naar Leon toe. Ze haalde de honkbalknuppel aan en bleef zo staan. Ze zei: ik waarschuw jou nou één keer, Leon. Eén verkeerd antwoord en ik sla jouw kop ervan af. Wat heb ik nou weer gedaan? Zei Leon. Ik ga je nu wat vragen. Heb jij een andere vriendin? Nee, zei Leon. Ik heb geen andere vriendin. Eentje die 18 is. Nee, Leon, zei Leon. Ik heb geen vriendin die 18 is. Maar Arend heeft een foto van jou en die vriendin laten zien. Zij is pas 18 jaar, viezerik. Minou, ik ken je nu al meer dan 30 jaar. Ik heb echt geen jongere vriendin. Gelul. Allemaal geouwehoer. Moet je niet geloven, hoor. Bel dikke Nelly maar eens op. Dikke Nelly weet zeker dat ik helemaal geen vriendin heb. Dikke Nelly weet gewoon zeker dat ik dat niet heb. Zou jij dikke Nelly geloven, Minou?

 

Ach zo. Leon zei: "Ik heb echt geen andere vrienden, Minou. Ik zweer het. Geloof me nu, want Arend zit gewoon te liegen." "Maar Arend liet mij een foto zien", zei Minou. "En dat was jij met een ander. Ik heb je betrapt, jongen. En nou ga ik je kop ervan afslaan." En Minou sloeg Leon zo hard als dat ze kon recht op zijn onderkaak met de honkbalknuppel. Leon viel knock-out uit z'n rolstoel. En Minou zei: "Je bent het niet waard. Vuile oplichter. Je bent niks waard, jij. Ik laat je hier liggen. Je mag blij zijn dat ik je niet kapotsla. Als ik nog iets van je hoor, beul je ze weer. Dan kom ik weer voor je terug met een honkbalknuppel. Dus wacht jij maar." En ze liep weg, de deur uit en ze verdween. Leon kwam twee uur later weer bij. Hij kermde van de pijn. Hij riep: "Arend, dit heb jij gedaan. Nu is Minou weggelopen. Ze had me bijna doodgeslagen." Arend die riep: "Dat is je eigen schuld, Leon. Moet je maar niet tegen mij beginnen." 

Arend zei: Lig je daar goed, Leon? Daar op de grond. Ik zie je liggen. Kan je niet meer bewegen, jongen? Wat jammer nou, dan kan je niet terug in je stoel. Dan ben je niet meer zo mobiel, hè, met je tongrolstoel. Leon zei: Arend, jongen, als ik jou ooit terug kan pakken, dan ga ik dat doen, jongen. Dan breek ik al jouw botten en dan maak ik gehakt van jou. Ja, zei Arend, dat zal wel. Je maakt mij niet bang met je praatjes, jongen. Je bent immers verlamd. Dus moet ik bang zijn, jongen? Wacht jij maar, Arend. Wacht jij maar, viezerik. Je hebt Minou voorgelogen. Je hebt haar iets wijsgemaakt dat niet waar is. Hé, zei Arend, nu ben ik los. Ik heb mijn boeien los. Hé, ik ga er ook vandoor. En hij reed met zijn rolstoel langs Leon af. De voordeur uit en hij verdween. Leon schreeuwde nog: Arend, kom terug! Maar Arend ging gewoon verder. Hij ging weg. Dus nu was Leon alleen. Hij lag op de grond te huilen. Hij riep: Lieve God, is er dan niemand die mij hoort? Is er dan niemand die mij kan helpen? Ik lig hier met een blauwe kaak op de grond en ik heb zo'n pijn aan mijn kop. Het is alsof ik een pijnstiller nodig heb. Kan niemand mij helpen? Uren gingen voorbij en Leon bleef jammeren op de grond. Maar ineens stond Minou weer in de voordeur, samen met Arend. Ik heb hem betrapt, zei Minou. Jouw beste vriend Arend heeft mij een foto laten zien die hij gefotoshopt heeft. Die vuilak was niet van waar. Echt waar, Minou? Ja, hij heeft zelfs bekend tegen mij dat jij geen vriendin heeft, dat hij alles heeft verzonnen. Oh, dat is mooi, Minou. Dank je wel. Dus je hebt me vergeven? Ja, Leon, ik heb jou vergeven. Nou, dank je wel man. En, uh, bel even een dokter voor mij, want mijn kop knalt er zo wat vanaf. Ik heb wat pijn. 

Ik ga van de pijn. Geef me eens een paar pijnstillers en wat brully. Minou pakte wat brully voor Leon. En Leon zei: en wa-wat whisky of sterke drank. Hebben we dat? Ja, dat hebben we wel Leon. En Leon kreeg wat sterke drank om te nuttigen. En hij begon de pijn wat meer te verdragen. Leon werd langzaamaan zat en samen met de brully gaf dat een aangenaam effect. Hij viel in slaap. Hij zat weer in zijn stoel. Minou had hem erin getild en Leon sliep. Arend was in de tussentijd weer in zijn kamertje gezet, vastgebonden. Uh. De ducttape om zijn kop, zodat hij niet meer kon spreken of schreeuwen. Ik vertrouw die Arend voor geen meter meer, zei Minou. Die man is door en door slecht. Maar Leon, hoe denk jij? Toen zag ze dat Leon sliep, dus ging ze zelf ook maar slapen. Ze ging naar bed toe en sliep tot de volgende dag. De volgende dag werd Minou wakker. Ze ging naar beneden en daar zat Leon al bij de deur van Arend. Hij zat door de deur heen te schreeuwen. Arend, als je me niet gaat toegeven dat je mijn uitvindingen hebt gestolen met gedachte telepathie. Dan ga ik je dadelijk wat pijn bezorgen jongen, want ik ga jou aan de bankschroef zetten. Wat? Riep Arend. Mij aan de bankschroef zetten? Ja, Minou zal je vingers klemzetten tussen die bankschroef. Net zo klem dat jij begint te praten, jongen. Wat ik weet, Arend, dat als je veel pijn in je hebt, dan bezielt je maar één ding en dat is dat je het liefste de waarheid spreekt. Zo veel mogelijk en zo duidelijk mogelijk. Arend werd een beetje wit in zijn gezicht. Hij, hij was eventjes stil. Toen zei hij: dat meen je toch niet Leon? Ga je me echt martelen, jongen? Ja, zei Leon. Minou en ik gaan jou martelen. Ik moet weten of jij mijn uitvinding hebt gestolen. Dat vind ik een hele gemene misdaad, jongen. Nou gaan we je vingers breken. Wacht jij maar, jongen. Minou stond al achter Leon en ze had alles gehoord. Zal ik de bankschroef dan maar eventjes pakken, Leon? Ja, Minou, pak de bankschroef maar. We gaan zijn vingers eventjes crunchie. Flink crunchie zodat hij de waarheid spreekt. Is een goed idee, Leon. En Minou haalde de bankschroef en ze kwam weer bij Leon. Ze opende de deur van Arend zijn kamertje en ging naar Arend toe. Arend was helemaal aan het bibberen en aan het zweten. Hij was zo wit als een doek. En hij keek met grote angstige ogen naar Minou. Zij had de bankschroef vast. Ze stond hem ook aan te staren. Ze zei toen: Arend, ik ga je nou pijn doen. Het is maar beter dat je alle waarheid vertelt. Zo duidelijk mogelijk, zodat wij de bankschroef meteen weer kunnen losmaken en jou weer pijnloze vingers kunnen bezorgen. Maar nu moet het even Arend. Het spijt me zeer. Ik ga het nu aanbrengen. En ze bracht de bankschroef aan. Ze draaide zijn vingers klem en Arend begon te spartelen alsof hij een vis was. Hij trachtte te schreeuwen, maar dankzij de ducttape was schreeuwen niet mogelijk. Leon zei: Minou, haal de ducttape eens van zijn mond af. Ik denk dat hij wel wil gaan praten. Minou haalde de ducttape van zijn mond af en Arend begon te schreeuwen zo hard hij kon. Help, help! Ze zijn me aan het martelen. Ik ben een gevangene. Help! Maar Minou deed meteen haar mand, haar hand voor zijn mond. Maar Arend beet haar. Hij beet haar heel hard, tot bloedens toe. Minou schreeuwde het uit. Leon stond erbij, die zat erbij en die riep aanwijzingen zoals: Minou, probeer je nou eens los te krijgen uit zijn kaken. Dat kan ik niet, zei Minou. Hij heeft een ferme beet. Hij heeft me flink te pakken. Zijn kaken staan denk ik op slot. Wat een kutzak, zei Leon. Draai die bankschroef dan eens aan, dat zal hem wel doen ophelderen. Probeer dat eens. En met haar andere hand deed Minou de bankschroef weer aandraaien. Ze hoorde zijn vingers kraken. Arend opende zijn kaken en schreeuwde het uit "Mama," schreeuwde hij: "hel me toch. Hel me toch, mama." En de tranen stonden in zijn ogen. Hij had zoveel pijn dat hij ineens begon te vertellen. "Ja," zei hij: "ik heb die uitvindingen gestolen van jullie." "Welke uitvindingen waren het dan?" zei Leon. Arend zei: "Heteluchtblazers voor in de winter. Eb- en vloedkanalen. Een lage fiets. Een mobiel huis, zo klein mogelijk." Dat waren ze. "Inderdaad," zei Leon: "dat zijn mijn vier uitvindingen. Zie je nou wel dat hij ze gestolen had? Hoe kan jij nou gedachten lezen, Arend?" "Daar ben ik mee geboren," zei Arend. "Die gave bezit ik al sinds dat ik een kind was. Op mijn 13e openbaarde zich die gave en kon ik de gedachten van mijn ouders lezen. Ze waren slecht tegenover mij en ze maakten mij alleen nog maar slechter." "Draai de bankschroef maar los," zei Leon: "en bind zijn handen maar weer vast. We hebben wat we wilden. Minou, we gaan Arend aangeven bij de politie. Is dat een goed idee?"

'Nee, dat is geen goed idee, Leon,' zei Minoe. 'Als de politie hem oppakt, gaat hij ons weer, uh, verlinken. Hij zal zeggen tegen de politie dat wij hem hebben lopen martelen, dat we hem hebben opgesloten. Dat mogen wij allemaal niet doen, Leon. We moeten Arend langer vasthouden totdat we ergens een betere plek hebben om te gaan leven. En dan laten we Arend hier achter en dan gaan wij op die andere plei-plek lekker leven. Is dat niet veel slimmer, Leon?' 'Ja, dat is heel slim, Minoe. Dus als wij een andere woning kunnen krijgen, gaan we hier weg en dan l-laten we Arend hier achter. Dan kunnen we m-misschien vastbinden en met een brief aan de politie overdragen. We kunnen hem inderdaad beschuldigen van diefstal. Al zal de politie ons moeilijk geloven. Want g-, diefstal door middel van telepathie, dat is haast niet te geloven, Leon. Dat zal de politie moeilijk geloven. Daar hebben wij geen poot om op te staan. Maar heeft Arend in het verleden niet verkeerde dingen gedaan zodat we hem aan kunnen geven? Zodat de politie hem niet zal geloven en ons nooit achterna zal komen? Ik weet niet, Minoe. Ik heb ooit eens gehoord dat Arend een overval had gepleegd. Hoe kunnen we dat achterhalen? Hoe kunnen we daar achter komen, Minoe?' 'Ik denk dat we Arend moeten laten praten hierover en dat we dan een geluidsrecorder bij hem neer moeten zetten.' 'Dat is een goed idee, Minoe.' 'Of we kunnen weer met de bankschroef te werk gaan.' 'Inderdaad, Minoe. Dat is een prima idee. Dat doen we dan een andere keer. Eerst proberen we het los te krijgen met slimme ondervragingen. Of misschien wil hij het ons zomaar vertellen. Dan nemen we het meteen op en dan hebben we alvast bewijs voor de politie dat Arend een grote boef is en dat hij in de gevangenis thuishoort.'

Leon, je hebt trouwens morgen om 10:00 uur al een toernooi. Een schaaktoernooi. Je wordt daar verwacht. Moet ik jou brengen? Ja, natuurlijk moet je mij brengen. Ik kan daar niet op eigen houtje naartoe. Dat is veel te ver. De tongrolstoel heeft niet zo'n ver bereik. We kunnen beter met het busje gaan, zodat we daar mooi op tijd kunnen zijn. Dat is goed, Leon. Ben je goed voorbereid op het schaaktoernooi? Jazeker, Minou. Ik speel weer als de beste. Ik ben helemaal in vorm. Er is er geen eentje die mij zomaar kan verslaan daar op dat toernooi, dat weet ik bijna zeker. Probeer je scheetjes en je winden een beetje in te houden, Leon. Jazeker, Minou. Anders gaan ze weer klagen. Je weet nog hoe dat ging de vorige keer. Ja, dat was een akelige ruzie daar aan het schaakbord. Ja, ik werd beticht van, uh, valsspelen zelfs. Dat ik de s-tegenstander probeerde te beïnvloeden door voortdurend te blijven winden. Ik kan er ook niks aan doen dat ik soms extreem veel loop te winden, want mijn nek heb ik gebroken en dankzij dat heb ik zo'n actieve darmen. Ik laat winden wanneer ik wil en wanneer ik niet wil. Ze blijven maar komen. Maar ook de gebakjes en de gebakken taarten. Ja, zei Minou. Hou daar maar over op. Ik vind dat niet leuk. Ik kan er toch niks aan doen dat ik soms een gebakken taart in de luier heb zitten, Minou? Leon, hou er alsjeblieft mee op. Ik vind dat echt niet leuk. Dat is de normaalste zaak van de wereld, Minou. Iedereen heeft wel eens een gebakken taart in de darmen zitten en iedere dag als het goed is. Nou, niet iedere dag, Leon. Als jij goed gesport bent en iedere dag sport, dan heb je dat niet zo vaak. Dan heb je meer compacte ontlasting. En die compacte ontlasting, die komt eens in de twee of drie of vier dagen. Is dat eerlijk waar, Minou? Dat is eerlijk waar. Dat heb ik ooit eens gelezen. Een boek over stront? Ja, een boek over ontlasting. O, en waarom heb je dat boek gekocht? Omdat ik vaak naar jouw stront heb lopen kijken, Leon. En er zit soms de gekste dingen in. Ja, dat kan zijn. Wat zou dat zijn, denk je? Dat weet ik niet, Leon. Daarom kocht ik dat boek. Gooi je dat dan niet meteen in de vuilnisemmer? Nee, Leon. Soms laat ik het vallen en dan zie ik er van alles in. En ik vond dat niet zo fris. Die ontlasting van jou, die is erg apart. Je zou zeggen dat je ziek bent, maar omdat je je nek hebt gebroken, stond in dat boek, kan dat ook een oorzaak zijn. Het is vooral meer de ontlasting van iemand met darm- of buikkrampen die iets verkeerds gegeten heeft. Dat het eruit spuit, weet je. Racekak of straalpoep. Noem het maar wat. Dat is wat ik bedoel. Hou er maar over op, Minou, want nou word ik er niet goed van. Ja, oké, dan hou ik erover op. Ik ga alvast slapen dan. Om mijn eigen voor te bereiden. Ga je nu al slapen? Nou, trouwens, ik ga nog even televisie kijken. Ik ga Studio Sport kijken en dan straks kijk ik Tussen Kunst en Kitsch. Dan ga ik het eten maken, Leon. 

Wat wil jij eten, Leon? Doe mij maar frietjes speciaal. Twee frikandellen speciaal. En een broodje frikandel. Moet je er nog extra mayonaise bij? Ja, extra mayonaise en extra curry. Je weet wat de dokter heeft gezegd over al dat ongezonde eten van jou, hè Leon? Het is niet echt ongezond. Er zit toch ook aardappel tussen? Nee, Leon, dit is echt heel erg ongezond eten en je eet het bijna iedere dag. Als middageten nog wel. Je riskeert je leven, jongen. Minoe, ik geloof dat alle wonderen bestaan en die kan ik zelf en jij en iedereen ook verwachten. Dus geloof maar in de Heer. God bestaat echt en op een dag komt hij ons allemaal helpen. Daar geloof ik in, Minoe. Wees maar gerust en maak je maar niet al te veel zorgen over mijn gezondheid. Ik zie er toch nog gezond uit?

Mag ik trouwens mee naar de friettent, Minou? Ja, oké Leon, rij maar mee naar de friettent. Dan gaan we er samen naartoe. Minou bracht Leon naar het busje. Ze reed Leon in het busje en blokkeerde de wielen van Leons tongwielrolstoel. Minou ging achter het stuur zitten en reed naar de friettent, ergens aan de rand van de stad, in de buurt van de villawijk waar ze nu woonde. Ze gingen de friettent binnen en Minou deed haar bestelling. Ze vond het maar netjes dat Leon altijd zo ongezond at. Dadelijk gaat ie dood. Dat is niet leuk voor mij. Ik heb het er vaak met hem over gehad, maar hij wil me niet van eetpatroon wijzigen. Hij zegt dat er wel een schepper is, een lieve Heer, die hem zal helpen. Hij heeft het al zo moeilijk in die rolstoel. Er is niemand die daarom lacht, maar ik vind het heel erg voor hem. Verschrikkelijk. Wat een stakker. Dat heeft hij niet verdiend, zeg. Met vliegend motorrijden nog wel. Ja, Minou, vliegend motorrijden is het mooiste wat er is. Dat zei Arend ook altijd toen hij nog niet in een rolstoel zat. Maar ja, Arend zegt nog steeds dat vliegend motorrijden het mooiste is wat er is. Iets mooiers is er niet in het leven, zegt hij altijd. Zelfs nu hij al in een rolstoel zit. Dat is toch idioot? Die man is zo gek. Arend. Ik heb nog nooit eerder een Arend gekend. En als ik die naam alleen al hoor, dan denk ik aan een indiaan of een mafkees. Maar die Arend, die is nog erger. Die viezerik. Die greep mij vast met z'n opgewonden gezicht. En hij had me niet één keer vastgegrepen, maar ik denk wel twee, drie keer. En dan kijk ik hem aan en dan heeft hij zo'n vieze, smerige, opgewonden rotkop. En dan kan ik hem wel kapot schieten. Mevrouw, hier is uw friet en uw frikandelletjes. Ja, die zijn allemaal voor m'n man, zei Minou. Leon die zei: Ik ga een eend grillen. Wat? Riep Minou. Moet je nu meteen alweer een gebakje wegzetten in je pamper? Ja, zei Leon. Ik moet even een eend grillen. Ik heb er nu al spijt van, maar ik kan het niet ophouden. De medewerkster achter de bar keek de twee verbaasd aan en ze zei: waar heeft hij het over? Een eend grillen? Nou, moet je nu maar eens op letten, zei Minou. En Leon begon de eend te grillen alsof hij een chef-kok was. De badkamergeluiden klonken in dat friettentje als een toilet, een openbaar toilet. Is die man niet goed snik? Zei de medewerkster. Hij zit daar zijn broek vol te schijten. Nou, zei Minou, mijn man kan dat gewoon niet inhouden. Hij moet regelmatig een scheetje laten. En toevallig nou hier ook in de friettent. Daar kan hij niks aan doen. Daar mag je niet boos om worden. Daar moet u niet raar van staan te kijken, want dat is voor mij en voor hem heel normaal. Dus doe maar een beetje gewoon, want daar kan hij niks aan doen. 

 Arend was bij Leon in huis gekomen. Leon en Minou vonden het niet erg dat Arend bij hun woonde. Zolang je maar geen vieze scheten laat hier in huis, zei Leon. Arend: want dat doe je maar netjes op het toilet. Je hebt nog twee armen en je kan je rolstoel gemakkelijk hier door het huis bewegen. Dit huis is helemaal aangepast voor een rolstoel, dus je mag hier wel een tijdje blijven. Arend was blij en opgetogen. Hij zei: nou, dan draai ik meteen een shaggie. Kunnen jullie daar tegen? Ja, daar kunnen wij gerust tegen, Arend. Draai maar een shaggie en ga maar wat roken. Arend draaide zijn shaggie en

Zij. Ik kan alleen niet zelfstandig naar het toilet, daar heb ik hulp bij nodig. Ik heb gehoord dat Leon altijd assistentie krijgt van de twee Beppen die hier langs wonen

 Arend was weer gaan slapen en hij begon te dromen. Hij zat in een casino. Hij was flink aan het winnen aan de pokertafel. Een dag is vergoed, dacht Arend. Eindelijk! Zoveel geld heb ik nog nooit bij elkaar verdiend. Hij had in totaal bijna € 1 miljoen bij elkaar gepokerd en dat vond hij wel heel mooi. Dit is veel beter dan vliegend motorrijden, dacht hij. Dit moet ik vaker doen. Dit gaat goed. Hier ben ik voor geboren. Arend kreeg weer nieuwe kaarten. Hij kreeg vier koningen meteen al en hij zette meteen een vette pot. Hij dacht ik zet meteen 500.000, dan. Kan ik weer dik gaan verdienen. Hij zette 500.000. en twee anderen gingen met hem mee. De rest paste. Hij vroeg een nieuwe kaart, maar kreeg geen betere kaart bij. Hij had nog steeds vier koningen en hij wist niet wat de anderen hadden. Hij blufte een beetje. Hij vond het wel riskant. Hij dacht laat ik maar meteen veel zetten, dit heb ik toch gewonnen. De rest zal wel passen. Dan heb ik mooi € 1 miljoen verdiend aan deze poker ronde. Hij zette meteen alles in. Alles wat hij bij zich had. Dat was zijn laatste geld. Daar had hij veel voor moeten motorrijden. Op een vliegend circuit. Hij dacht dit moet ik winnen, want als ik dit verlies, dan ga ik eraan. Dan ben ik niet meer te redden. Dan kan ik mijn huis niet betalen. Dan word ik eruit gezet. Dan verlies ik mijn motor. En mijn vrouw zal ik dan misschien ook wel verliezen. Ik weet niet waar ze nou is, maar ja. Daar ben ik wel bang voor, dacht hij. De rest ging verbazingwekkend met Arend mee. Ze zeiden Laat je kaarten maar zien. Arend legde de vier koningen op tafel. En hij zei Dank je wel, heren. Dit is zekersteweten denk ik wel mijn ronde. Dit is mijn dag vandaag. Hij begon te lachen. en hij zat ze echt in zijn gezicht uit te lachen. Maar de twee heren? Zij begonnen ook te lachen. De één legde een royal flush neer en die is hoger dan een vier koningen carré. Godverdomme, riep Arend. Dat is kut. Nou ben ik zwaar de klos. Wat moet ik nou toch doen? De andere heer legde vier azen neer. en hij had ook, net zoals Arend verloren. De pot ging naar degene met de royal flush. en die zat nou te lachen in Arend zijn gezicht. Hij zei Dank je wel Arend, dat vind ik aardig van jou. Arend werd boos. Hij stond op. Hij rende de gast naar zijn stoel toe en trok hem van zijn stoel af. Hij sloeg hem recht in zijn gezicht. Hij zei Je geeft me mijn geld terug, jongen. Je hebt lopen valsspelen. Hoezo? Zei hij. Je mag me niet slaan, jongen. Je wordt er duidelijk uitgezet. Je hebt vals gespeeld, zei Arend. Ik heb helemaal niet vals gespeeld. Ik heb net flink verdiend. Hij pakte al de fiches. en stopte die in zijn zak. Er kwamen twee bewakers aan en die zeiden We hebben jou net zien slaan, Arend. Ga maar mee naar buiten. Ze grepen Arend vast en die begon tegen te stribbelen. Hij zei Laat me los, godverdomme, Ik wil mijn geld terug. Geef me alsjeblieft mijn geld terug. Nee, Arend. We geven jou je geld niet terug. Je hebt alles eerlijk verloren. Vind je dat eerlijk? Ik vind dat niet eerlijk, riep hij. Dit is niet eerlijk. Dat is mijn zwaarverdiende geld. Dat heb ik met vliegend motorrijden verdiend. Ik ben de eerste Nederlandse vliegenier op de 500 cc. Doe me een plezier en geef mij mijn geld terug. Moet ik erom smeken? Arend begon te smeken om zijn geld. Geef me alsjeblieft mijn geld terug. Ik smeek het je. Moet ik een dansje doen om mijn geld terug te krijgen? Een dansje? Zeiden de bewakers. Ja, zei Arend. Ik ga hier een dansje doen en dan geven jullie me geld terug. Is dat goed? Nee, Arend, zo werkt dat niet. Als jij hier staat te dansen, gaan we jou echt geen. € 2 miljoen geven. Ja, wat maakt dat nou uit? Zei Arend. Er zijn wel eens vaker gekke bedragen gegeven aan gekke mensen die gekke dansjes deden. Ja, maar in dit geval toch niet hoor Arend. Zo'n dansje, daar kom je niet ver mee. Arend. Ga er maar uit en kom maar niet meer terug. Arend was helemaal aangeslagen. Hij begon na te denken. Hij dacht als hij dadelijk naar buiten komt, die winnaar, dan grijp ik hem vast. Sla hem helemaal tot moes en dan pak ik zijn geld af. En Arend ging achter een container zitten, wachtend op de winnaar. Die moest zo naar buiten komen. En ja hoor, daar kwam ie. De deur ging open. De winnaar kwam naar buiten en hij liep langs de container af. Arend aarzelde geen moment. Hij rende eropaf en sprong hem in zijn nek. Hij trok hem achterover. Hij begon hem te slaan en te schoppen en te slaan en te schoppen. En hij bleef ermee doorgaan. De twee bewakers kwamen er weer aan. Die kwamen hem helpen, maar ook die kregen klappen van Arend. Zo zei Arend, dat zal jullie leren. Nou, mijn geld. Maar ik heb je geld helemaal niet op zak. Zei de man. Dat heb ik zojuist op de bank gezet. Wat? Zei Arend. Geef me dan je pinpasje. De man gaf hem zijn pinpasje en je pincode. En de man zei Ik kan mijn pincode niet aan jou geven. Arend zei Nou maak je me echt heel boos jongen. Nou, zei die man, als dadelijk hier politie arriveert, ga jij voor jaren de bak in Arend. Voor mishandeling met geweld, beroving. Daar staan flink wat jaren op jongen. Arend zei. Jongen, dat zal mij niet overkomen. Op dat moment stopte er ineens drie politieauto's en er stapten zes agenten uit. Arend keek ze verschrokken aan. En toen werd hij wakker. Het was maar een droom. Wat een geluk, dacht Arend. Het zweet stond op zijn voorhoofd. Wat een geluk, dacht hij. Ik heb godverdomme niks verloren. Dit maakt mij blij. Wat een blije droom zeg. Eigenlijk wel een nachtmerrie. Maar ja.

Oh. Leon. Kwam in de kamer van Arend. Arend. Wil je even dit vertellen? Ik ben een boek aan het schrijven in verschillende delen en deze delen die doe ik sorteren en een voor een op het juiste plek in het boek zetten. Nou komt het volgende. Leon rijdt op een motor in het verkeer. Hij krijgt een klapband. De voorband klapt. Meteen probeert Leon het evenwicht van de motor te herstellen, maar de motor begint te zwieperen en Leon vliegt over het stuur. Met motor en al over de kop. Daar gaat hij keihard tegen het asfalt. Zijn knieën geschaafd, zijn ellebogen geschaafd en zijn gezicht geschaafd. Hij is bewusteloos nu. Ja, zei Leon, dat overkwam mij Arend jaren geleden. Klapband. De voorband. Nou, dat is frappant, zei Arend. Zoiets hoeft mij nooit te overkomen. Maar ja, ik zit nu in een rolstoel. Dit is gewoon heel wat anders. Leon. Ja, Arend, dat vind ik ook. Deze rolstoel. Ik kan er ook niet echt aan wennen. Heb je hier ook ooit een klapband meegekregen met die tong rolstoel van jou? Nee, nog niet. En kramp in je tong of zo? Nee Arend, ik heb nog nooit kramp in mijn tong gehad. Lijkt mij verschrikkelijk. En jij, Arend? Heb jij nog nooit een klapband gehad met je rolstoel? Nee Leon, niet echt. Wel door pineutjes gereden hier in de straat. Ja, dat is van Knobel Bult. Mevrouw Knobel Bult. Zij terroriseert mij altijd. Knobel Bult legt altijd pineutjes neer voor mijn deur en voor haar deur. Mijn banden zijn extra beveiligd tegen dat soort terroristische daden. Ik heb mijn banden goed beveiligd. Oh, dat heb je slim gedaan Leon. Jazeker Arend, dat wijf is hartstikke gek man. Ze zit mij altijd aan te staren alsof ze mij de dood in wil jagen. Eerlijk waar ja. Ja. Dan voel ik mij een beetje bedreigd, moet ik maar zeggen. Ja, dat kan ik best begrijpen. Leon. Hoe oud is die knobbel? Bult? Knobbel Bult is nou ongeveer. Ik denk. 53 jaar. 53 jaar. En waarom noem je haar knobbel bult? Heb je haar nooit goed bekeken, Arend? Ja, inderdaad ja Leon. Ik heb dat wel goed gezien. Ja, ik kan jou goed begrijpen Leon. Ja, Knobbel Bult, dat is wel een prima naam, vind je niet? Inderdaad ja. Nou ja, zolang ze mij maar niet gaat bedreigen. Dat denk ik niet. Arend. Die armen van jou. Ik denk niet dat zij het lef heeft om tegen jou te beginnen. Maar als ze mij uit mijn rolstoel gooit, zei Arend. Dan lig ik daar tegen de grond en dan kan ze met die stevige hakken mij zomaar gezichtje flink in elkaar. Beuken. Dat denk ik zeer zeker ja Arend. Dan beukt ze jouw gezichtje zomaar in elkaar met die stevige hakken van haar. Zie je wel, dat bedoel ik, Leon. Ja Arend, dat bedoel ik ook. Maar ik weet niet of ze dat beseft. Ze kan jou uit de rolstoel gooien. Ja. Maar die Popeye onderarmen, als je die al ziet. Ja, maar jij toch ook, Leon? Ja, Arend, ik heb ook Popeye onderarmen, maar de mijne doen het niet meer. Ik ben totaal verlamd, hè? Och ja. Ja, en ik kan nog met mijn armen bewegen. Ja, jij hebt nog wat aan die Popeye-onderarmen. Ja, inderdaad, Leon. Daar moet ik toch wel eventjes mee lachen. Je zit nou toch niet te genieten, hè Arend? Waarom zit je te lachen dan? Nee, ik zit helemaal niet te genieten, Leon. Ik lach gewoon omdat ik blij ben dat ik nog steeds mijn Popeye-onderarmen heb, zoals jij zegt. Ja, maar waarom lach je dan? Gewoon omdat ik dat leuk vind. Vind je het leuk dat ik mijn armen niet meer kan bewegen, Arend? Nee, natuurlijk vind ik dat niet leuk. Je zit toch niet te liegen, hè? Ik denk dat jij mij moeilijk kan geloven, Leon. Net zoals altijd geloof jij bijna niemand. Dus waarom stel jij zulke vragen? Als ik jou nou zeg: "Tuurlijk zit ik niet te liegen," zou je me dan geloven? Ik denk het niet, Arend. Dan hou op met praten. Arend, sinds wanneer ben jij zo slim geworden? Vind je mij slim, Leon? Ja. Dit is iets wat ik eerder in mijn leven nog nooit aan jou heb opgemerkt. Je ziet eruit als zo'n arbeider uit de arbeidersklasse zonder geld. Ik zie eruit als een arbeider zonder geld? Ja, uit de arbeidersklasse. Meer zo'n verschoppeling. Zo'n niksnut. Zo'n moeilijke, problematische man. Een verschoppeling dus. Ja, maar Leon, dat laat ik mij niet zomaar zeggen. Je maakt me hartstikke boos, jongen. Ga nou maar niet zomaar door, anders geef ik je er eentje voor je gezicht, jongen. Och, en jij durft zomaar invalide mensen te slaan, jongen? Weerloze mensen? Moet je maar eens opletten. En Arend haalde uit en hij sloeg Leon recht voor zijn porem. Hier heb je er een te pakken, jongen. En nou hou je je gedeisd. Je gaat mij niet lopen beledigen, jongen. Je noemt me net een ongeschoolde arbeider uit de arbeidersklasse. Daar kan ik niet tegen, Leon. Ik kom wel degelijk uit een hoogwaardige familie. En ik ben een beetje afgezakt. Dat wel. Ik ben gaan drinken. Ik ben gaan drugs gebruiken. Ik ben al mijn geld verloren. Maar ik heb mijn eigenwaarde nog wel nog steeds, Leon. Dat ga je me niet afnemen. Ik verdien wat meer respect dan jij me geeft, Leon. Vandaar die knal op je neus. Ik denk dat je mijn neus weer hebt gebroken, jongen. Ja, dat kan ik horen. Je praat weer als een eend. Nou, dank je wel, Arend. Bel maar even de dokter op dan. Dat ga ik niet doen. Dat moet Minoet maar even doen. En Leon riep Minoet. Minoet kwam naar beneden en Leon vroeg: "Minoet, kan jij even de dokter bellen? Want Arend heeft net met één klap mijn neus gebroken." "Heb jij dat gedaan, Arend?" vroeg Minoet. "Ja," zei Arend, "dat heb ik gedaan." "Ga dan maar een uurtje naar buiten. We hebben het nu eventjes zat van jou." "Ja," zei Leon. "Arend, ga maar eventjes naar buiten, jongen. En wacht maar. Als ik ooit uit die rolstoel kom, jongen, dan bonk ik heel die kop van jou in elkaar." Arend begon te lachen. Hij zei: "Hou maar op met die flauwe geintjes, Leon, want het is inderdaad allemaal te lachwekkend om serieus over te blijven. Ik ga nu." "Wil jij zeggen dat mijn handicap een lachertje is, Arend?" Maar Arend ging al de voordeur uit en ging naar buiten. Hij reed langs Knobbelbult af, die hem stond aan te staren. "Wat moet jij?" riep Arend tegen Knobbelbult. En Knobbelbult zei niks. Haar stem sprak bijna nooit. Ze stond altijd met boze ogen te kijken. Waarom dat zo was, was omdat Leon eens Knobbelbult de bijnaam heeft toegezegd. Hij riep haar letterlijk toe: "Vieze knobbelbult, ga eens even aan de kant. Je stinkt als een ruft en ik wil liever niet achter jou lopen." Vanaf die dag heeft ze nooit meer gesproken en bleef ze Leon en iedereen die bij Leon binnenkomt boos aankijken, alsof ze wacht op de dag des wraken. Mijn wraak zal eens dezer dagen toeslaan, dacht ze. Ik krijg jullie wel, vuil motortuig. Vliegend motorongeluk dat jullie zijn. Och

 De dokter kwam bij Leon thuis en zette zijn neus in het gips. Dan maken we een afspraak bij het ziekenhuis, zei de dokter. Binnenkort. En dan kunnen we in het ziekenhuis jouw neus recht breken zodat we hem dan opnieuw doen ingipsen. En dat gips moet voor een tijd van twee tot drie weken op blijven zitten en dan heeft u weer een goede neus. Kan u dat allemaal begrijpen, Leon? Ja, zei Leon, dat begrijp ik wel allemaal. U moet echt niet denken dat ik achterlijk ben. Nee, dat denk ik ook helemaal niet, Leon. Maar we zijn allemaal soms bij tijden een beetje abuis. Dat kan u en ik en iedereen wel eens overkomen. Vandaar mijn stellige vraag aan u Kan u dat begrijpen? Ja dokter, dat kan ik begrijpen. Ga nou maar voordat ik jou dadelijk voor mijn neus sla. Hey Leon, dat soort opmerkingen hoor ik liever niet en dat hoef ik zelfs van een verlamde man niet te pikken. Hij schiet nou maar op jongen. Voordat ik dadelijk. Maar iets stuk ijzer of zo voor mijn kop sla. Hey Leon, dat soort taal kan ik hier niet dulden. Nog eens een opmerking en ik bel de politie. Jongen, flikker nou op! Je zit in mijn huis. Ik wil jou hier niet binnen hebben. Leon, doe nou rustig. Flikker op jongen of ik sla jou kapot man. Nou, ik heb er genoeg van, zei de dokter. Ik bel de politie. Maar ik ben invalide. Ik ben geheel verlamd. Je gaat toch niet de politie bellen? Leon? De wet zegt een dreigement is een dreigement en dreigementen zijn verboden. Vandaar dat ik nu eventjes de politie bel om eventjes jou aan te geven bij de politie. Jij mag niet dreigen, zelfs niet al ben je invalide. Jongen, als ik niet invalide zou zijn had ik jou daar vast in de hoek geslagen, vast tegen de muur omhoog geslagen. Snap je mij niet goed jongen? Nou, zei die dokter, ik kom uit een hele sociale, hartverwarmende familie. Van een. Hele. Geletterde afkomst. Geleerd en geletterd. Onze familie. Is heel hoog. En in onze familie lossen wij dat soort dingen anders op. Wij bellen meteen de politie. Wij slaan er niet op los zoals dat soort armzalige sloebers zoals jij doen. Wij slaan niet. Wij bellen de politie. Ja, maar die sla ik ook, zei Leon. Ik sla die politie. Ik sla jou. Ik sla iedereen die mij in mijn weg staat. Ja, maar ik stond jou toch niet in de weg? Ja, maar jij wil er mijn huis toch niet uit? De bel ging en er stond politie aan de deur. De dokter deed open en de dokter vertelde de politie dat Leon hem tot driemaal toe had bedreigd en de laatste was een levens bedreiging tegen mijn leven. O, zei de politie, dat vind ik nogal berispelijk. Dan moeten we hem meenemen naar het bureau en dan gaan we hem daar verhoren en dan kijken we wel of we hem vrijlaten nog. Misschien moet hij wel een nachtje zitten. En de politie kwam binnen en ze zagen Leon. Och, ben jij het, die invalide man met zijn tong rolstoel? Ja, dat ben ik ja. Met mijn tong rolstoel. Daar kan ik toch niks aan doen? Daar gaat het niet om, zei de politie. Wij zijn hier omdat jij hebt lopen dreigen. Zelfs eendos bedreiging. Dat is tegen de wet. Daar mag u zich niet aan vergrijpen. Wij komen u daarom meenemen naar het bureau. Maar moet die stoel mee? Ja, die stoel. Die moet mee dan. Godverdomme. Waarom moet ik weer mee naar het bureau? Daar heb ik geen zin in. Ik moet even hoognodig. Claxoneren. Wat bedoelt u met claxoneren? Roept de twee beppen maar alvast, want ik. Heb weer wat. Buikpijn en een slecht voorgevoel. Minou sprak. Nou, ik begrijp precies wat hij bedoelt. Ik moet even zijn luier verwisselen in een aantal seconden, maar daar roep ik wel eventjes de twee Beppen voor de twee Beppen, zei de agent. Ja, de twee Beppen wonen hier langs en die doen regelmatig de luier van Leon verwisselen. Als hij weer moet claxoneren. Wat is dat dan? Claxoneren? Nou, luistert u maar. En Leon begon te claxoneren. En. Het was zo gebeurd. Zijn buikpijn was over en de agenten keken stomverbaasd naar Leon en zeiden kan je niet gewoon naar het toilet? Nee, zei Leon, ik ben toch invalide? Ik heb niet voor niks een luier om. Oh, dat vind ik wel vreselijk voor u. Hé, en wat een riekende lucht hier, man. Ja, zei Leon, daar kan ik niks aan doen. Dat het nogal een riekende stank veroorzaakt. Er hangt hier normaal gesproken een hevige, riekende, riekende lucht in deze woonkamer, maar dat komt allemaal van vanuit mijn inwendige lichaam. Ja, dat kunnen wij wel begrijpen, zeiden de agenten. Hé, maar dat kom je toch niet bij ons op het politiebureau doen hè? Nee, zei Leon, zelfs niet expres. Dat zal wel niet gebeuren. Maar ja, zei de agent, als jij er zo zeker daarvan bent, dan gaan we jou wel meenemen. Maar ik wil wel even dat je je eigen wat opfrist en even een schone luier aandoet. Roept de twee Beppen maar. En Minou riep de twee Beppen. En binnen 5 minuten stonden de twee Beppen binnen. Oké.

De kern van onze filosofie

Van al mijn ideeën geef ik 95% weg. De overige 5% vraag ik terug, en dit is de enige prijs van mijn idee. Dit percentage dekt de onkosten, de vergoedingen en de winst voor degenen die werkzaam zijn bij mijn bedrijf. Wij streven ernaar nieuwe ideeën te bedenken om het welzijn van anderen nog beter te maken.

Ik heb school betaald, kansen gemist en bijna een heel leven verpest. Dit alles omdat mijn wens tot ideeën een beetje laat is binnengekomen. Daarom vraag ik 5% terug. Het is een erkenning voor de reis en de toewijding die nodig was om deze innovaties te creëren.

De opofferingen van Romeo Tenderness

Samen sterker: jouw bijdrage telt

Met 95% weggeven heb ik heel veel mensen blij gemaakt. Die blijdschap heb ik nodig om die 5% terug te vragen. Ik ben de bedenker, ik heb jullie geholpen, help mij dan ook. Jouw steun stelt ons in staat om door te gaan met het ontwikkelen van innovatieve ideeën en om het welzijn van velen te verbeteren.